Blog2Blog Maak je eigen Blog2Blog | Gratis je eigen blog c.q weblog op internet
Mens en Natuur in Beeld / Handboogsport

Mens en Natuur in Beeld / Handboogsport

Theorieën en ideeën over het Universum, het menselijk brein en zenuwstelsel.Handboogsport

Handboogsport 05 januari 2012**

Hoofdstuk 13:

 

Methode van aantrekken:

Voor het aantrekken van de pees wordt algemeen aangenomen dat het trekken met drie vingers, wijs-, middel- en ringvinger, waarbij de wijsvinger boven de pijl en de middel- en ringvinger onder de pijl om de pees worden gehaakt de aangewezen methode is.

 

De vrijdenkende vraag: ”Is dat wel zo?” is de start van een lang en complex onderzoekstraject.

Een antwoord kan zijn: “Inmiddels wel omdat de handboog, hulpmaterialen, afstellingen en schiettechnieken hierop zijn aangepast.”.

Een vervolgvraag kan zijn: “Is er een betere methode te ontwikkelen?” .

Een antwoord kan zijn: “Waarschijnlijk wel.”

 

Geschiedenis:

De geschiedenis van de ontwikkeling van de lattenboog en de recurveboog in relatie tot het aantrekken van de pees begint bij het gebruik van de eerste boog.

Het aantrekken en lossen van een pees heeft invloed op de vlucht van de pijl en op het richtpunt en het mikpunt.

Het uitgangspunt dat wanneer de pees recht naar achter wordt getrokken en recht naar voren kan worden gelost de vlucht het minst beïnvloed wordt en de pijl de meest gunstige voorwaartse beweging zal maken wordt teruggevonden in de huidige compoundbogen waarbij de pijl midden door de boog ligt en waarbij de pees met een release recht achter de pijl wordt gelost.

 

De eerste bogen werden aangetrokken door de pees tussen duim en wijsvinger te klemmen en na het aantrekken de duim en wijsvinger te ontspannen. Hierdoor wordt de pees nagenoeg niet bewogen in zijdelingse richting waardoor de vlucht van de pijl hierdoor ook niet wordt beïnvloed. Bij een beperkte trekkracht van de boog is dit mogelijk maar om efficiënter en met groter bereik te kunnen schieten is een grotere trekkracht nodig. De bogen werden al gauw krachtiger. Daarbij ontstond ook het probleem van het aantrekken van de boog omdat de klemkracht tussen de duim en wijsvinger niet meer toereikend was om de pees aan te trekken. 

De natuurlijke reactie daarop is het onder de pijl om de pees heen haken van de hand. Door de vingers om de pees heen te haken waren deze voldoende sterk om de pees te trekken. Maar bij het lossen slaat de pees tegen de vingertoppen en bij het trekken drukt en/of snijdt de pees in de vingers. Beide gevolgen zijn schadelijk en pijnlijk.

Een oplossing hiervoor werd gevonden is het schietlapje. Een lederen lapje dat ter bescherming in de hand werd gehouden waardoor het drukken, snijden en slaan van de pees niet pijnlijk meer was. Door ervaring werd duidelijk dat het schieten met meerdere vingers om de pees gehaakt minder goed resultaat opleverde dan het schieten met één vinger. Daarom werd afhankelijk van de trekkracht van de boog met één, twee of drie vingers om de pees gehaakt. Een alternatief werd gevonden door het gebruik van de duim om de pees te trekken. Hiervoor is de duimring ontwikkeld. De duimring uit bot of hoorn gesneden is een hulpmiddel dat om de duim wordt geschoven en door de pees onder de pijl achter een uitstekend knobbeltje of haakje van de duimring te haken kan de pees aan de binnenkant van de duim worden getrokken. De duim is sterker dan de vingers waardoor er meer trekkracht kan worden geleverd.

Deze twee manieren van aantrekken zijn veelvuldig toegepast bij houten lattenbogen.

 

De komst van de demontabele bogen, vizieren en het gebruik van andere materialen en de Olympische status van het lange afstand schieten hebben een grote verandering teweeg gebracht in het handboogschieten. Door de ontwikkelingen ontstond er meer keuzemogelijkheid in materiaal en samenstelling en kon de handboog aanmerkelijk beter worden aangepast aan de handboogsporter.

Door het lange afstand schieten ontstond de behoefte aan bogen met een groter bereik. De oplossing werd onder anderen gevonden in grotere trekkracht en in aanpassing van de schiettechniek. Hierdoor dook opnieuw het probleem van insnijden en indrukken van de vingers. In het schiettabje is een oplossing gevonden voor het insnijden en indrukken van de vingers. Daarbij werd het algemeen gebruikelijk om met drie vingers om de pees te haken.

Het volgende probleem stak de kop op. Om op de gebruikelijke manier te schieten werd het nagenoeg onmogelijk om met het vizier op een afstand van 90 meter op het doel te schieten. Zeker in combinatie met de relatief zware aluminium pijlen t.o.v. de huidige carbonpijlen.

Daarom werd de peeshand verder naar boven verplaatst. Door de wijsvinger boven de pijl te positioneren op de pees werd het, doordat de boog daardoor naar achteren kantelt, beter mogelijk om met het vizier op 90 meter te kunnen schieten.

Hierbij werd de voordien toegepaste methode met bijbehorende gedachte omgebogen en aangepast op de nieuwe materialen. Het nadeel van de wijsvinger boven de pijl is de spreidpositie van de wijsvinger en de middelvinger. Hiervoor is de vingerspreider ontwikkeld zodat de vingers voldoende tussenruimte houden bij de trekbelasting op de vingers. 

Tot op heden wordt algemeen aangenomen dat deze methode leidt tot optimale resultaten.

 

 

De één- en tweevinger methode:

Bij bestudering van de drievinger methode is het opmerkelijk dat de oude situatie als uitgangspunt is genomen en dat er een opeenstapeling is van oplossingen en problemen.

Hierdoor is de kans op een geëigende oplossing voor het probleem te vinden aanmerkelijk kleiner dan wanneer het probleem zonder vanzelfsprekendheden wordt geanalyseerd en oplossingen vanuit die analyse worden bestudeerd en ontwikkeld.

 

Analyse:

De meest ideale situatie wordt verkregen wanneer de pijl door een recht op de achterzijde van de pijl uitgeoefende stuwkracht voorwaarts wordt bewogen. Hierbij zal alle stuwkracht worden aangewend voor de vertreksnelheid van de pijl.

In een windvrije situatie zullen alleen de luchtweerstand , de luchtdruk en de aantrekkingskracht van de aarde de vlucht van de pijl beïnvloeden. Hierdoor zal een ideale vlucht in de gegeven omstandigheden volgen waardoor het mogelijk wordt om optimaal te schieten en te herhalen.

Elke andere kracht dan de voorwaartse stuwkracht beïnvloed de vlucht van de pijl negatief.

 

Deze andere krachten die de vlucht van de pijl negatief beïnvloeden worden grotendeels door het materiaal en/of de handboogsporter veroorzaakt.

Onderzoek naar de negatieve beïnvloeding en geëigende oplossingen daarvoor dragen sterk bij aan de prestatieverbetering.

 

De negatieve krachten van het lossen hebben een grote invloed op de vlucht van de pijl.

Deze krachten resulteren allen in beweging en vervorming van de pees waardoor de krachtoverdracht op de pijl niet meer recht op de pijl zal plaatsvinden.

Hierdoor wordt de richting van de stuwkrachten in de pijl van richting veranderd en het verlies aan energie leidt tot verlies van aanvangsnelheid.

De pijl zal naarmate de krachten negatiever werken meer doorbuigen en afwijkende bewegingen maken.

Het zoeken naar pijlen die deze krachten beter opnemen is wel een verbetering maar niet de geëigende oplossing.

 

Oplossingsmogelijkheid:

De oplossing is te vinden in het herleiden van de oorzaak.

Om de pees ideaal te kunnen lossen is het trekpunt op de pees één punt precies achter de pijl. Dit zien we terug bij de compoundboog waar de release exact achter de pijl wordt aangehaakt.

Omdat dit voor de recurveboog vanuit de regelgeving géén mogelijkheid is

is de eerstvolgende aangewezen oplossing één punt op de pees onder de pijl.

Vanuit deze redenatie is het aanhaken met één vinger om de pees net onder de pijl de logische conclusie.

Hierdoor zal de pees de minste negatieve beïnvloeding ondervinden door het lossen. Om het schietpatroon volledig onder controle te krijgen is ondersteuning met een tweede vinger waarbij de eerste vinger veruit de grootste trekkracht zal opnemen mogelijk.

Het trekken met één vinger heeft ook tot gevolg dat de pees veel minder in zijdelingse richting wordt belast en dat er in de pees maar één knikpunt aanwezig is bij volledige treklengte. Daarbij zal de pees bij het lossen slechts tegen één vinger of bij ondersteuning twee vingers slaan waardoor de negatieve beïnvloeding hierdoor ook verminderd. Ook het “rollen” van de pees over de vingers is bij één of twee vingers minder omdat het contactoppervlak aanmerkelijk kleiner wordt.

 

De keuze van de te gebruiken vinger is te maken door de krachtenlijn door de arm, pols en hand te beoordelen. Deze krachtenlijn loopt door de onderarm en pols via het midden van de hand en door de middelvinger. Daarbij heeft de middelvinger de ringvinger als eventuele ondersteuning. De keuze voor de middelvinger wordt ook ondersteund door de ankerhoogte. Door de middelvinger net onder de pijl aan de pees te haken en eventueel de ringvinger daaronder als ondersteuning wordt de hoogte tussen oog en pijl zodanig dat met vizier op 90 meter afstand probleemloos kan worden geschoten.

De middelvinger eventueel met de ringvinger is met een tweelaags tabje intensief en zonder overbelasting op het weefsel en de vingerkootjes te gebruiken tot een trekkracht van ca. 35pds voor dames en 39pds voor heren. De trekkracht van de boog blijft bij de één- of tweevinger-methode beperkt tot het maximaal hanteerbare van de handboogsporter. Dat voorkomt schade en overbelasting van het lichaam zowel op korte als lange termijn.   

 

Middenstuk en de paradox:

Omdat de huidige generatie middenstukken zijn ontwikkeld voor de drievinger methode is het venster vaak minder diep dan wenselijk. Een diep venster is wenselijk omdat de pijl minder tot géén correctie nodig heeft in de paradoxale richting. Het drukpunt kan hierdoor zo ingesteld worden dat de pijl in het verlengde van de pees en het hart van de boog ligt. Daardoor komt de pijl dichter bij het middenstuk. Door aanleren en gebruik van de goede schiettechniek zal een pijl probleemloos en met optimale snelheid van de boog gelost worden.  

 

 

 

Tillering:

De tillering van de boog wijzigt ook t.o.v. de drievinger methode. De statische tillering zal door de aantrek onder de pijl dichter bij het nulpunt liggen waardoor de pijl in een meer directe lijn naar het doel zal bewegen. Dit is een logisch gevolg van de grotere efficiëntie door het lossen. 

De aanhaking net onder het ogenschijnlijk ideale aanhaakpunt recht achter de pijl levert de compensatie op van de aantrekkingskracht van de aarde en de luchtdruk.

Hierdoor zal de vlucht van de pijl de meest ideale vluchthoogte volgen en daardoor zo direct mogelijk naar het doel bewegen.

 

De dynamische tillering verandert ook t.o.v. de drievinger methode. Doordat het keeppunt van de pijl iets lager op de pees ligt en omdat de pees maar op één plaats wordt gebogen veranderd de reactie bij het lossen van de pees op de latten en op de pijl aanmerkelijk. De huidige instelling van de dynamische tillering laat over het algemeen een verschil zien in de balans. Bij toepassing van de één- of tweevinger methode blijkt dat de dynamische tillering, het verschil in de balanshoogte nagenoeg tot geheel opheft.

De verklaring hiervoor ligt in het gegeven dat bij de ontwikkeling van de recurveboog de keuze is gemaakt om de balanshoogte variabel te maken i.p.v. de tillering aan te passen in het middenstuk of de latten. Een logische keuze die gunstig is voor het gebruik van de één- of tweevinger methode.

Doordat de balanshoogte nagenoeg hetzelfde is wordt de boog efficiënter gebruikt waardoor de overbrenging van de kracht uit de boog op de pijl groter wordt.

 

Pijlen:

Doordat de kracht vanuit de boog efficiënter en in een rechtere lijn wordt overgebracht op de pijl zal de pijl minder doorbuigen en minder kantelen gedurende de vlucht.

De constructie van de pijl kan daarom lichter worden uitgevoerd en een grotere spine van de pijl is minder van invloed op de vlucht. Ook de pijlpunt kan lichter worden uitgevoerd doordat de krachten in een aanmerkelijk rechtere lijn door de pijl worden gevoerd en de pijlpunt efficiënter wordt voortgestuwd zonder daarbij grote buiging in de pijl te veroorzaken.

Omdat het doorbuigen en kantelen van de pijl energie verbruiken wordt deze energie nu gebruikt voor de voorwaartse verplaatsing. De stabielere vlucht en het minder doorbuigen leiden ook tot minder luchtweerstand waardoor de snelheid van de pijl hoger blijft.

 

Schiethouding:

Door de toepassing van de één- of tweevinger methode treden gunstige aanpassingen op in de schiethouding. De krachtenlijnen lopen op natuurlijkere wijze door het lichaam. De positie van de vingers, hand, pols, onderarm, bovenarm, schouder en rug worden gunstig beïnvloed en de spierkracht en functie worden in natuurlijkere richting gebruikt. Hierdoor is minder kans op schade, slijtage en blessure van de lichaamsdelen.

 

Krachtverloop:

Bij het schietpatroon is een optimale krachtoverdracht, in de gewenste richting, op pijl het meest efficiënt.

Daarom is het interessant om de restkrachten na het lossen van het schot te beoordelen en te herleiden om zodoende te kunnen bepalen waar krachtenverlies optreed en hoe dit voorkomen kan worden.

De restkrachten na het lossen worden overgebracht door de pees via de werparmen naar het middenstuk. Hierdoor zal de boog na het lossen in voorwaartse richting uit de hand naar voren springen.

Hoe meer kracht hoe verder de boog naar voren beweegt. Middels een sling wordt voorkomen dat de boog valt of dat de handboogsporter een grijpende beweging naar de boog maakt. 

Bij het toepassen van de één- of tweevinger methode blijkt de boog veel minder voorwaartse beweging te maken waaruit kan worden afgeleid dat de restkracht aanmerkelijk minder is en een groter deel van de kracht op de pijl wordt overgebracht. De sling en dempers worden hierdoor overbodig.

Het niet gebruiken van dempers beperkt het fysieke booggewicht aanmerkelijk wat ten goede komt aan het schietpatroon omdat minder energie nodig is om de boog te hanteren.      

 

Conclusie:

Het totaal van de voordelen door toepassing van de één- of tweevinger methode levert een aanzienlijke positieve bijdrage aan de efficiëntie in het handboogschieten. Prestaties verbeteren en zijn gedurende langere tijd te leveren. Het toegepaste materiaal vereenvoudigd waardoor kans op nadelige invloeden op het schietpatroon aanmerkelijk minder wordt. 

De methode is eenvoudig qua uitvoering en makkelijk aan te leren.

De aanpassing van de instellingen van de recurveboog zijn bij aanvang nog niet noodzakelijk en werken nadien uitsluitend positief op het resultaat. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hoofdstuk 14:

 

Stoffen voor het lichaam:

Voeding is de brandstof en aanvoer van benodigde stoffen voor het lichaam.

Water is het noodzakelijke transport-, vul-, verbindings- en beschermingsmiddel in het lichaam.

Zuurstof is noodzakelijk om de chemische verbindingen en combinaties te kunnen maken waarmee het lichaam stofwisselingsprocessen kan uitvoeren en de stoffen functioneel kan maken voor de taakuitvoering van lichaamscellen.

 

Voedingsstoffen zijn te onderscheiden in vetten, eiwitten, koolhydraten, vitaminen en mineralen.

De benodigde vloeistof voor het lichaam is water. 

 

De voedingsstoffen zijn nodig voor instandhouding, groei en het functioneren van levende cellen, structuren en systemen van het lichaam, voor warmteregulatie van het lichaam,  voor energievoorziening voor beweging van spieren en voor het functioneren van de hersenen.

Vloeistof is nodig als transportmiddel van stoffen in het lichaam, voor temperatuursregulatie van het lichaam, als vulmiddel van levende cellen en voor de productie van lichaamsvloeistoffen.  

 

Voedingsstoffen leveren energie en eigenschappen om benodigde stoffen te vormen.

Het lichaam haalt uit voeding zoveel stoffen als mogelijk is. Een deel van deze stoffen kunnen direct worden gebruikt en zullen via de daarvoor bestemde kanalen, vaak het bloed, worden getransporteerd. Daar waar een stof kan worden gebruikt wordt deze opgenomen in het lichaam. Het overschot van die stof wordt voor zover mogelijk in tijdelijke opslag genomen door het lichaam.

Het daarna overblijvende gedeelte wordt door het lichaam afgebroken en afgevoerd uit het lichaam.

Bij normaal gebruik van het lichaam is een dagelijkse voedingswaarde van 1800 tot 2400 kcal bestaande uit een variatie van ca. 10% eiwitten, 25% vetten en 65% koolhydraten. In deze stoffen zijn de mineralen en vitaminen opgenomen.

 

Water wordt in het lichaam gebruikt als oplosmiddel, chemische reactor, warmteregulator en beschermer/schokdemper.

De hoeveelheid water die nodig is om het lichaam te laten functioneren wordt bepaald door het verbruik van het lichaam. Als basis geldt dat een menselijk lichaam tussen 55% en 70% water bevat. 

Dat betekent dat gemiddeld iedere 1000 gram ongeveer 550 tot 700 gram water bevat. De basishoeveelheid is dus aanzienlijk en al dat water is nodig voor het goed kunnen functioneren van het lichaam. Er is al een waterbehoefte wanneer de verhouding water met andere stoffen met 1% verminderd.

Bij normaal gebruik van het lichaam is een dagelijkse aanvulling van 2000 tot 2500ml (2 tot 2,5 liter of kg) water nodig. Water kan ook mineralen bevatten zodat deze dan ook met het water worden opgenomen. 

 

Zuurstof is het chemisch element dat zich in lucht bevind en dat nodig is in het lichaam. Uit de ca. 10.000 liter (10m³) lucht die een volwassene, bij normale gebruik van het lichaam, ongeveer inademt per 24 uur wordt 3% zuurstof door het lichaam opgenomen. Dat is dus 300 liter ofwel 30 emmers zuivere zuurstof.

 

 

Het lichaam heeft gemiddeld, bij normaal gebruik, een totaal van 210 kcal eiwitten, 525 kcal vetten, 815 kcal koolhydraten, 2,25 liter water en 300 liter zuurstof nodig om goed te kunnen functioneren.

Zodra het lichaam intensiever wordt gebruikt zal het verbruik toenemen. Is het intensiever gebruik tijdelijk dan zal het verbruik ook tijdelijk zijn. Is het intensiever gebruik blijvend dan zal de verbruik structureel worden. Door vermeerdering van spiermassa is ook een groter verbruik nodig.

 

 

Bij verbruik van deze stoffen is ook aanvulling nodig. Echter tussen verbruik en aanvulling is een traject nodig waarin de stoffen worden voorbereid om door het lichaam te kunnen worden opgenomen en verder verwerkt, dit zijn de spijsvertering en de stofwisselingsprocessen in het lichaam. Daarbij is er verschil tussen stoffen in voorbereiding- en opnametijd door het lichaam. Na opname door het lichaam worden de stoffen getransporteerd en opgenomen op de plaatsen waar ze nodig zijn. Daar worden ze verder verwerkt en eventueel verder getransporteerd naar de uiteindelijke plaats van bestemming. De overmaat aan stoffen kunnen op worden geslagen in weefsel en structuren waardoor ze later kunnen worden gebruikt in tijd van schaarste of onvoldoende aanvoer van buitenaf.

De stoffen die niet meer kunnen worden opgeslagen worden afgevoerd en verdwijnen uit het lichaam.

Reservecapaciteiten zijn per stof erg verschillend. Bij sommige systemen is er een fysiologische onbeperkte opnamecapaciteit. Het lichaam kan vetten blijven opslaan en de opslag kan leiden tot functievermindering en bedreiging van de instandhouding van het lichaam. Van bepaalde andere stoffen zoals zuurstof en insuline is de opnamecapaciteit beperkt of zelfs nihil waardoor en is bij behoefte een acute aanvoer nodig is.

 

Bij onvoldoende aanvoer van buitenaf maakt het lichaam aanspraak op de reserves. Het aanspreken van reserves is een efficiënt systeem en de reserves zijn snel te gebruiken. Het lichaam heeft wel een omschakelingstijd nodig. Eerst komt het signaal voor aanvoer van de stoffen en het lichaam zal reageren door op zoek te gaan naar de stoffen in de aanvoer van buitenaf. Indien deze stoffen niet toereikend zijn zal het signaal van behoefte aanhouden en versterken. Daarop gaat het lichaam de reserves aanspreken en vrijmaken. Dit proces neemt tijd in beslag en het lichaam zal een tijdelijke prestatievermindering ondergaan.

 

Het verbruik beperkt zich niet tot de motorische systemen van het lichaam maar betreft ook het psychische en mentale functioneren.

Hierdoor zullen kwaliteit en niveau van fysieke en mentale mogelijkheden en prestaties afnemen.

 

Bij het opnemen, verwerken, gebruiken en opslaan van stoffen door het lichaam komen ook reststoffen vrij of worden geproduceerd waarvoor het lichaam geen toepassing heeft.  

Deze stoffen kunnen afhankelijk van de eigenschappen van de betreffende stof worden afgevoerd en uit het lichaam worden verwijderd of komen in het lichaam op plaatsen terecht vanwaar het lichaam, ondanks verwoede pogingen, ze niet kan verwijderen.

De stoffen die in het lichaam achter blijven zijn schadelijk voor het functioneren van het lichaam en kunnen tot onoverkomelijke problemen leiden.   

 

 

 

 

Uit deze informatie is af te leiden dat een gezonde en gebalanceerde stoffenopname en reserveopbouw door het lichaam een basis is voor het optimaal functioneren van het lichaam.

Daarbij is kennis van en ervaring met het eigen lichaam en voedingsstoffen van groot belang om tot een evenwichtig geheel te komen.

Bij sporten (op ieder niveau) wordt extra aandacht, kennis en ervaring gevraagd omdat hierbij de opnamebehoefte sterk afwijkt van de normale situatie.

Ook vooruit denken en kijken i.v.m. te stellen prestatie-eisen aan het lichaam zijn daarbij belangrijk om voor het lichaam voldoende aanpassingstijd te kunnen creëren. 

 

Bij gezonde voeding en leefwijze is de kans dat een persoon zich prettiger voelt, gezonder is en betere prestaties kan leveren gedurende lange tijd aanmerkelijk groter dan wanneer ongezond wordt geleefd.

 

Behalve de normale voedingsstoffen zijn er ook stoffen die invloed hebben op het lichaam waardoor op korte termijn bepaalde resultaten kunnen worden verkregen.

Een aantal van die stoffen hebben een korte termijneffect met op langere termijn schadelijke gevolgen waardoor gebruik hiervan uitermate onverstandig is en vaak ook verboden zijn voor gebruik in de sport.

Ander van deze stoffen hebben een langdurige werking op resultaten maar zijn door aard, concentratie of hoeveelheid schadelijk voor het lichaam. Ook deze stoffen zijn vaak verboden voor toepassing in de sport.

 

Het lichaam heeft geëigende systemen en structuren die kunnen worden geoptimaliseerd door gezonde voeding en leefwijze. Iedere geforceerde aanpassing levert nadelige effecten op waardoor het lichaam uiteindelijk minder efficiënt zal functioneren. 

 

De natuurlijke processen hebben redenen die vaak voor mensen niet bekend zijn. De risico`s van het veranderen of beïnvloeden van die processen zijn groot en bedreigen het lichaam waardoor het daarop zal reageren.

Handboogsport 05 januari 2012 *

Hoofdstuk 9:

 

Lichamelijke ontwikkeling:

 

Spierkracht:

Bij de handboogsport is spierkracht ondergeschikt aan techniek.

Spierkracht ontwikkeling is in de ontwikkelingsfase van de sporter zinvol om de spieren op de sterkte te brengen die nodig is om het schietpatroon om de gewenste manier te kunnen uitvoeren.

Daarbij is het ontwikkelen van kracht gewenst maar de ontwikkeling van spiermassa dient te worden beperkt omdat spiermassa nadelig kan werken in de bewegingsruimte van gewrichten en ledematen.

Belangrijk is het ook om een overcapaciteit qua kracht te ontwikkelen van ca. 20% om  volledige controle te kunnen verkrijgen over de boog en het schietpatroon.

Duurvermogen van spieren is belangrijk om gedurende langere tijd aaneengesloten te kunnen presteren.

 

Opbouw van spierkracht:

Door training en belasting van de spieren ontwikkelen deze zich naar mate van de belasting. Hierbij zal spierweefsel versterken en in massa toenemen.

Overbelasting leidt echter tot schade aan het spierweefsel waardoor bindweefsel ontstaat dat een negatief effect heeft op de sterkte en controle van de spieren.

 

Spierweefsel alleen is niet voldoende voor de handboogsport. Het nieuwe weefsel en de grotere kracht zal ook gecontroleerd aangestuurd moeten worden om het nuttig te kunnen gebruiken.

Daarvoor zijn zenuwcellen nodig. Deze zenuwcellen groeien echter aanmerkelijk langzamer dan spierweefsel waardoor de handboogsporter de extra kracht pas gecontroleerd kan leren gebruiken nadat de zenuwbanen voldoende zijn aangegroeid om de informatie van en naar alle spiercellen te kunnen verzorgen.

 

Vervolgens dient de handboogsporter de spieren te leren aansturen. Dat gebeurt door de hersenen. De hersenen dienen getraind te worden om deze taken gecontroleerd te kunnen uitvoeren. Dit trainen is een proces van ervaren en herhalen totdat het gewenste resultaat is bereikt. Daarna dienen de hersenen, zenuwbanen en spieren onderhouden te worden door voldoende training.

 

Spierkracht oefeningen:

De spierkracht oefeningen dienen gecontroleerd en zonder overbelasting te worden uitgevoerd. Spieren dienen in de natuurlijke functierichting te worden getraind om blessure en schade te voorkomen.

Bij spieroefeningen is het zinvol om alle motorische spieren in het lichaam te trainen.

Het doel van de oefeningen is om optimale controle te verkrijgen over het gehele lichaam met minimale spierspanning. Alleen de noodzakelijke spieren worden bij het handboogschieten op spanning gebracht. Voor de overige spieren is ontspanning nodig.

 

Beweging:

In combinatie met de spieroefeningen dienen ook de gewrichten te worden geoefend. Zowel de beweeglijkheid als het positioneren van de gewrichten zijn belangrijke onderdelen van de handboogsport. Er zal voldoende beweegradius moeten worden gecreëerd om het schietpatroon op verantwoorde wijze te kunnen uitvoeren. Hiervoor dienen de gewrichten samen met de spieren te worden getraind.    

De beenderen in het lichaam worden verbonden door complexe systemen van spieren. De spieren zijn de verbindingen van de beenderen waarbij de overgang van spier naar bot wordt gevormd door pezen.

In een aantal gewrichten zijn kraakbeenschijven als overgangs elementen aanwezig. Daarbij kan dan ook nog een taaie en elastische massa aanwezig zijn als schokdemper. Door het lichaam wordt een vloeistof aangemaakt die tussen de gewrichtsdelen als een smeermiddel werkt om slijtage en beschadiging te voorkomen.

Gewrichten dienen soepel en vloeiend bewogen te kunnen worden. Slijtage door verkeerd gebruik en overbelasting dient daarom voorkomen te worden.

 

Maximale belastbaarheid:

De materialen in de gewrichten hebben een maximale belastbaarheid. Deze belastbaarheid is afhankelijk van leeftijd, voedingsstoffen, leefgewoonten, natuurlijke aanleg, trainingsarbeid, lichaamsbouw en lichaamsconditie.

 

De maximale belastbaarheid mag niet worden overschreden om schade te voorkomen. Het lichaam geeft de maximale belastbaarheid niet direct aan. De overschrijding wordt pas merkbaar na regelmatige herhaling. Daarbij zal, door de veroorzaakte schade, de maximale belasting verminderen bij herhaling. Er zal door bindweefselvorming en slijtage van structuren beperking van de beweeglijkheid, pijn en speling op de gewrichten optreden. Hierdoor worden lichaamsdelen minder goed bruikbaar en zullen prestaties afnemen.

 

Bij training is het zinvol om de maximale belasting dicht te benaderen om op die manier opbouwend te werken en de belastbaarheid eventueel te verhogen, uiterlijk tot het absoluut maximum.

Bij wedstrijden of itensief gebruik van het lichaam is het belangrijk om ca. 20%

onder de maximale belasting te blijven zodat er overcapaciteit voldoende is om de gevolgen van wedstrijdspanning, omgevingsinvloeden of andere nadelige zaken te kunnen verminderen of uit te sluiten.

 

 

 

 

Aansturing van spieren en gewrichten:

Gewrichten en beenderen worden aangestuurd door spieren die middels pezen zijn verbonden met de beenderen. 

Spieren worden aangestuurd door zenuwbanen die middels zenuwuiteinden zijn verbonden met spieren. Zenuwbanen bestaan uit sensorische en motorische zenuwen die in twee richtingen zijn aangelegd tussen de hersenen en spieren.

De sensorische zenuwen zijn de verbindingskanalen voor zintuiglijke signalen zoals gevoel, reuk, smaak, gehoor en visuele waarneming.

De motorische zenuwen zijn de verbindingskanalen voor bewegingssignalen. Hiermee wordt informatie van en naar de spieren gezonden. 

 

Sensorische zenuwen:

De sensorische zenuwen verstrekken informatie aan de hersenen over omgeving en de toestand van de lichaamsstructuren. De hersenen verwerken deze informatie en sturen reacties aan die afhankelijk van het signaal sensorisch, motorisch of een combinatie daarvan kunnen zijn.

De reactie betreft een uitermate complex geheel van acties. Het gaat hierbij om het aansturen van allerlei systemen zoals spieren, voedingsstof- en zuurstofopname en verspreiding, evenwicht, temperatuurregulatie en afweer.  

 

Motorische zenuwen:

De motorische zenuwen verstekken informatie aan de hersenen over krachten die worden uitgeoefend op de spiergroepen. De hersenen verwerken deze informatie en sturen reacties aan die afhankelijk van het signaal sensorisch, motorisch of een combinatie daarvan kunnen zijn.

Ook hier betreft de reactie een uitermate complex geheel van acties. Het gaat hierbij om het aansturen van allerlei systemen zoals spieren, voedingsstof- en zuurstofopname en verspreiding, evenwicht, temperatuurregulatie en afweer.  

 

Training van zenuwen en hersenen:

Het trainen van zenuwen en hersenen is een traject van herhaling.

De hersenen worden getraind om een gewenste reactie op te wekken door een signaal herhaaldelijk te verzenden naar de hersenen. Hierbij vormt zich bewustzijn en gevoel.

Alle zenuwbanen kunnen in meer of mindere mate bewust worden aangestuurd. Hiervoor is een leerproces en het onderhouden van de aansturing noodzakelijk.

Het leerproces begint met het concentreren op de te ontwikkelen spiergroep en de beweging daarvan. Hierdoor zoeken de hersenen naar het aansturingsgebied van die de spiergroep. Door herhaaldelijk geconcentreerd de bepaalde spiergroep aan te sturen zal het gebied in de hersenen steeds beter reageren op het bewust verzonden signaal. Hierdoor wordt de beweging steeds beter gecontroleerd uit te voeren en zal het bijbehorende gevoel door het succesvol bewegen als goed worden ervaren. Deze training is per spiergroep te doen maar ook voor iedere combinatie van spiergroepen. Naarmate meer spiergroepen zijn getraind zullen nieuwe combinaties sneller kunnen worden aangeleerd.

 

Reactievermogen en -snelheid:    

Reactievermogen is de mate van reageren op een signaal.

Reactiesnelheid is de tijd die tussen het moment van beïnvloeding van het lichaam en de reactie van het lichaam ligt.

Bij spieren is de reactiesnelheid en het vermogen bepalend voor de functionaliteit en toepasbaarheid. Reactiesnelheid en vermogen is gebaseerd op de efficiëntie van het doorsturen, verwerken en terugsturen van een signaal via de zenuwen naar de hersenen en weer terug door de zenuwen. Daarbij is de verbinding tussen zenuwen en weefsel en de conditie van het weefsel van groot belang voor de daadwerkelijke reactie en de sensorische kwaliteit van de zintuigen belangrijk voor het veroorzaken van het signaal en het effect van de reactie.    

De limiet van reactiesnelheid en vermogen is grotendeels genetisch bepaald. Daarbij kunnen de reactiesnelheid en het vermogen worden getraind en verbeterd door oefening van de zintuigen, bewegingsoefeningen en concentratieoefeningen.

Gezonde voeding en leefgewoonten zijn ook bevorderlijk voor de ontwikkeling van zenuwen, hersenen, reactiesnelheid en vermogen.

 

Belasting van zenuwen en hersenen:

Zenuwen en hersenen hebben een maximale belastbaarheid welke kan worden vergroot tot een absoluut maximum door training en oefening.

Deze belastbaarheid is afhankelijk van leeftijd, voedingsstoffen, leefgewoonten, natuurlijke aanleg, training, lichaamsbouw en lichaamsconditie.

 

De maximale belastbaarheid mag niet worden overschreden om schade te voorkomen. Het lichaam geeft de maximale belastbaarheid niet direct aan maar is te herkennen aan het oplopen van fouten. De overschrijding wordt pas merkbaar na regelmatige herhaling. Daarbij zal, door de veroorzaakte schade, de maximale belasting verminderen. Er zal door afbraak van hersencelverbindingen beperking van de capaciteit en functionaliteit optreden. Hierdoor worden lichaamsdelen minder goed bruikbaar en zullen prestaties afnemen.

 

Bij training is het zinvol om de maximale belasting dicht te benaderen om op die manier opbouwend te werken en de belastbaarheid eventueel te verhogen.

Bij wedstrijden of intensief gebruik van het lichaam is het belangrijk om ca. 20%

onder de maximale belasting te blijven zodat er overcapaciteit voldoende is om de gevolgen van wedstrijdspanning, omgevingsinvloeden of andere nadelige zaken te kunnen verminderen of uit te sluiten.

 

 

Balans en evenwicht ontwikkeling:

De balans en het evenwicht zijn systemen van het lichaam om gecontroleerd te staan en te bewegen. Het evenwichtsgevoel en de balans worden het sterkst ontwikkeld in de loop van de groei tot volwassenheid.

Evenwicht is het vermogen om recht op te kunnen staan en te kunnen bewegen zonder ongecontroleerde bewegingen te maken.

Balans is de correctie van het verschil aan de zijden van de lichaamsassen. 

Het evenwicht wordt door het lichaam in de loop der tijd grotendeels geautomatiseerd en worden gezien als het portaalstelsel. Dit is een stelsel van spieren die voor het evenwicht en de stabiele houding van het lichaamzorgen. Deze spieren worden aangestuurd door de hersenen en zijn in de loop van het opgroeien geautomatiseerd om zodoende minder hersencapaciteit en energie te gebruiken. Naast het geautomatiseerde gedeelte heeft een mens wel de mogelijkheid om bewust te bewegen. Daarbij is het geautomatiseerde deel ondergeschikt aan het bewust aanstuurbare. 

 

Evenwicht en balans in het schietpatroon:

Voor de handboogsport is het evenwicht en de balans de basis van het schietpatroon. Daarbij blijven deze als rode draad door de gehele uitvoering van dit schietpatroon doorlopen. Bij iedere handeling, beweging en stand wordt aanspraak gemaakt op deze stelsels.

Het lichaam reageert op iedere verandering en de stand, de bewuste beweging of houding vraagt van het geautomatiseerde systeem correcties in de spierspanningen. 

Hoe meer ontspanning mogelijk is des te minder capaciteit, energie en arbeid er wordt gevraagd van het lichaam en de hersenen. Des te rustiger en effectiever kan het schietpatroon worden uitgevoerd.

 

Oefeningen voor evenwicht en balans:

Oefening vergroot het evenwichtsgevoel en de balanscapaciteit van het lichaam en de hersenen. Oefeningen waarbij de visuele waarneming wordt uitgesloten en waarbij opbouwend de houding, stand en bewegingen worden veranderd hebben een sterk positief effect op het totale evenwicht en de balans.

Het is belangrijk om controlemogelijkheden in de oefeningen te bouwen om te beoordelen of de oefeningen resulteren in de gewenste houding.

 

 

 

 

 

Hoofdstuk 10:

 

Mentaliteit ontwikkeling:

Mentaliteit is de denkwijze van een persoon en de manier waarop deze acteert en reageert.

Het gaat hier om het opnemen van informatie, het verwerken daarvan en de reactie daarop. Er zijn vele bronnen van informatie. De duidelijk te onderscheiden bronnen zijn de wil en noden van de persoon zelf, de informatie die van andere mensen of groepen wordt ontvangen, de informatie van natuurlijke omgevingsinvloeden en de informatie van cultivatieve zaken.

De informatie kan door een mens rationeel, irrationeel of in een combinatie daarvan worden ontvangen.

De reactie op de ontvangen informatie kan emotioneel, rationeel of in een combinatie daarvan worden geuit.

 

Een persoon kan in diverse omgevingen en situaties een ander mentaliteit ontwikkelen en toepassen.

Specifieke  voorbeelden daarvan zijn; “wedstrijdmentaliteit” en “winnaarsmentaliteit”.

Aan ieder type mentaliteit zijn eigenschappen te verbinden die specifiek voor dat type zijn.

 

Mentale training:

Het trainen van mentaliteit vraagt inzicht en bewustwording van een persoon.

Deze zaken zijn nodig om het effect van mentaliteitsuitingen te begrijpen en te kunnen aanleren en/of veranderen.

De mentaliteit ontwikkeling is vanaf de geboorte al gaande. Een baby reageert op informatie. Bij honger zal de baby gaan huilen. Om de baby stil te krijgen wordt deze gevoed (beloont voor het huilen).

Omdat de mentaliteit ontwikkeling al op jonge leeftijd begint is deze ontwikkeling vanaf de tienerjaren sterk bepalend voor het gedrag van een persoon en na verloop van jaren steeds moeilijker te veranderen.

De mentale training is belangrijk om keuzes te kunnen maken in de reactievorm die het beste resultaat oplevert voor de persoon zelf.

Bij beperkte mentaliteit ontwikkeling wordt de keuzemogelijkheid aanzienlijk beperkt en zal het het beoogde resultaat van een reactie nadelig beïnvloeden.

 

 

 

Lichaamsbouw en gestel:

De lichaamsbouw en het gestel bepalen hoe een handboogsporter de basistechniek en basishouding kan ontwikkelen tot een persoonlijk passend schietpatroon.

Aan het lichaam is qua gestel weinig aan te passen. Het geraamte is een vrij onveranderbaar stelsel van botten. Er kunnen wel enkele hulpmiddelen worden aangewend om afwijkingen op te heffen maar het gestel is bepalend voor de mogelijkheden.

De lichaamsbouw is in hoofdvorm ook vrij sterk bepaald. In vet- en spiermassa kan een handboogsporter het lichaam veranderen naar een min of meer wenselijke massa.

Het gestel is bepalend voor de krachtenlijnen die optreden bij uitoefening van de handboogsport. Om het gestel op een goede manier te gebruiken en te belasten is het van belang om op de persoon afgestemde techniek en materialen te gebruiken. 

 

 

 

Overcapaciteit:

Overcapaciteit is de extra ruimte die men heeft op de minimaal noodzakelijke capaciteit voor het uitvoeren van handelingen en leveren van prestaties.

De extra ruimte is noodzakelijk om probleemloos te kunnen functioneren.

Op zowel fysiek als mentaal gebied is overcapaciteit belangrijk om schade en risico`s te voorkomen en onder moeilijke omstandigheden goed te blijven presteren.

Nadelige invloed van wedstrijdspanning is een voorbeeld van tekort aan een vorm van mentale capaciteit.

Nadelige invloed van trillen bij het uittrekken van de boog is een voorbeeld van tekort aan een vorm van fysieke capaciteit.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hoofdstuk 11:

 

Kleding:

De basisprincipes van kleding in de handboogsport zijn; ethisch verantwoord, voldoende bewegingsruimte, goed aansluitend en niet loshangend op het lichaam en voorkomen van inhaken op de kleding van pijl, pees of boog.

Voor de hogere niveau`s in de wedstrijdsport is sportkleding een vereiste waarbij comfort, vocht- en warmteregulatie en uitstraling in het belang is van de handboogsporter en de handboogsport in het algemeen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hoofdstuk 12:

 

Trainingsmethodes:

In de handboogsport is veiligheid het belangrijkste item. Elke onveilige situatie dient uitgesloten te worden. Hiervoor is constante alertheid van de handboogsporter vereist. Door een goed veiligheidsbesef kan iedere handboogsporter met vertrouwen de sport beoefenen.

Voor de handboogsporter zijn vervolgens de basistechniek en schiethouding de belangrijkste uitgangspunten voor het optimaal beleven van de sport.

 

Om een goede basistechniek en houding aan te leren is het gebruik van een barebow  of cycloopboog met een trekkracht van maximaal 20pds een goede keuze.

Beginnend op 6 meter afstand op een doel zonder blazoen kan de beginnend handboogsporter op aanwijzing van en onder begeleiding van een deskundig instructeur de basistechniek en houding volledig aanleren.

Tijdens de eerste maanden van het aanleren van houding en techniek is regelmatige training (liever dagelijks enkele pijlen dan eens per week honderden pijlen) de aangewezen methode.

Het steeds herhalen van de stappen van het schietpatroon en het bewust worden van de houding door focussen op steeds één onderdeel van het schietpatroon leidt tot automatisering en het juiste gevoel.

Door de pijlen in de loop van de trainingen meer en meer gegroepeerd in het doel te kunnen schieten is een duidelijke aanwijzing van progressie van de handboogsporter. Hierbij kan bij trainingen een 25m blazoen gebruikt worden. Dat dient dan afgewisseld te worden met het schieten op het een leeg doel om de drang naar het in de roos willen schieten af te remmen.

Bij het aanleren dient de handboogsporter een vast richtpunt aan te houden. In eerste instantie zullen pijlen verspreid over het doel inslaan. Na verloop van enkele trainingen zullen de pijlen aanmerkelijk beter gaan groeperen. Wanneer de pijlen zeer regelmatig in hetzelfde gebied van het doel groeperen kan door verbetering van houding en techniek de groep verplaatsen richting het richtpunt. Ook dit neemt een aantal trainingen in beslag. Hoe dichter de gegroepeerde pijlen bij het richtpunt komen met gebruikmaking van een goede houding en techniek hoe beter de resultaten zullen zijn bij het schieten met vizier.   

Pas wanneer de pijlen regelmatig dicht bij het richtpunt of in het geel van het 25m blazoen groeperen is het gebruik van een 18m blazoen zinvol. Hierdoor wordt het trefgebied verkleind en zal de handboogsporter een grotere nauwkeurigheid aan leren. Valt het resultaat tegen dan is het verstandig om terug te pakken op het 25m blazoen en het vertrouwen terug te krijgen voordat weer op het 18m blazoen wordt geschoten. Op dit punt is de handboogsporter ongeveer drie maanden in training/opleiding.

 

Wanneer op 6 meter afstand de pijlen nagenoeg consequent in het gele gebied van het 18m blazoen worden geschoten wordt de stap gemaakt naar de 12 meter schietlijn op een 25m blazoen afgewisseld met het lege doel. Daarna het 18m blazoen op 12 meter en vervolgens het 25m blazoen op 18m en het 18m blazoen op 18m. Ten slotte volgt de 25m schietlijn met het 25m blazoen. Zodra een vervolgstap niet succesvol verloopt is het nodig om terug te gaan naar de vorige stap of zelfs enkele stappen terug. 

 

Bij het vergroten van de schietafstand zal de beginnende handboogsporter vaak de neiging hebben om geforceerde houding en techniek toe te passen. Het is daarom belangrijk om bij vergroten van de afstand extra alert te zijn op dezelfde houding en techniek als op de kortere afstand.

 

Pas wanneer de beginnend handboogsporter op 18 meter en 25 meter gegroepeerd binnen het rode gebied op de blazoenen kan schieten is het gebruik van het vizier een meerwaarde.

Op deze manier wordt het nut van het vizier ten volle benut omdat de basis zonder vizier tot optimaal resultaat is doorgevoerd.

Op dit moment is de beginnend handboogsporter ongeveer een half tot driekwart jaar in training/opleiding.

 

Bij het gebruik van het vizier is het raadzaam om hetzelfde traject af te leggen.

Starten op 6 meter en opbouwen naar 18 meter en 25 meter. Dit traject zal aanmerkelijk sneller worden doorlopen omdat de basistechniek en houding al voldoende zijn aangelegd.

Vanaf dit moment, ongeveer driekwart tot één jaar vanaf het begin is de handboogsporter in staat om met goed resultaat aan wedstrijden deel te nemen en optimaal te genieten van de handboogsport.

Het opbouwen naar een grotere trekkracht en een krachtigere recurveboog  kan in de loop van het traject worden meegenomen. Hierbij dient terdege rekening te worden gehouden met verminderde en wisselende resultaten.

Het is beter om pas na gebruik van het vizier te kiezen voor een krachtigere boog. Oefeningen om de spierkracht op te bouwen en de spieren soepel en de gewrichten lenig te krijgen is wel aan te raden gedurende het eerste traject.

 

Bij het gebruik van een krachtigere boog horen ook andere pijlen en dient de afstelling van de boog te worden aangepast aan de handboogsporter.

De handhaving van een goede houding en techniek zijn ook hierbij weer belangrijke aandachtspunten. Een krachtigere boog heeft bij te weinig overcapaciteit van de handboogschutter nadelige gevolgen voor houding en techniek en kan schade veroorzaken door overbelasting van het lichaam.

Voor het menselijk lichaam is een recurveboog met een trekkracht van 39pds voor heren en 35pds voor dames het maximum om zonder overbelasting te schieten.  

Alle kracht boven 39pds heeft géén meerwaarde op lange termijn.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Handboogsport 05 januari 2012

 

 

Handboogsport Recurveboog

 

  Kees Goossens

   datum: 05 januari 2012

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Voorwoord:

 

Dit document is samengesteld en geschreven om mijn huidige kennis,  ervaring en denkwijze betreffende het beoefenen van de handboogsport vast te leggen. Deze specifieke kennis heb ik gecombineerd met mijn biologische, fysiologische en psychologische kennis van mensen en het menselijk lichaam en met kennis over levende en levenloze materie.

  

Door deze kennis te analyseren, te combineren en toe te passen worden  mogelijkheden gecreëerd en komen nieuwe inzichten tot stand die een bijdrage kunnen leveren aan de bestaande algemeen aanvaarde inzichten en kennis.

Hierbij heb ik een “vrijdenkende” positie ingenomen waarbij steeds de vraag wordt gesteld: “Is dat wel waar?”. Vaak kom ik tot de conclusie dat iedere zienswijze een kern van waarheid bezit die voor een redelijk grote groep mensen van toepassing is. Maar zeker niet voor iedereen en ook niet in dezelfde mate voor die grote groep.

Ik ga er van uit dat ieder individu een persoonlijke benadering, “De Individuele Benaderingsmethode”, nodig heeft voor het gebruik van mentale en fysieke eigenschappen.

De basis van het handboogschieten is voor iedereen gelijk. Het gaat immers om een individu een mikpunt te laten raken door het schieten van een pijl vanuit een handboog.

 

Zodra dit uitgangspunt een vervolg krijgt ontstaat er behoefte en noodzaak aan differentiatie. De uitgangspunten hierbij zijn de fysieke mogelijkheden, de mentale mogelijkheden of een combinatie daarvan en de materiële mogelijkheden.

Hierbij zijn oneindig veel combinaties mogelijk waardoor het zinvol is om hoofdgroepen te vormen waardoor de materie beheersbaar wordt.

De hoofdgroepen worden gevormd door valide en invalide mensen.

De hoofdgroepen zijn weer te verdelen in subgroepen, valide met of zonder mentale beperking en invalide met of zonder mentale beperking. 

Op deze wijze kan de onderverdeling doorgevoerd worden tot de kleinste details van het individu. 

Deze benadering is complex maar biedt de mogelijkheid om voor het individu het meest geschikte leerproces, de geschikte leermethode en de geschikte materialen te bepalen.

Het eenvoudige aan deze methode is dat het per individu eenmalig is tenzij er verandering in de uitgangspunten optreedt. Dan dient het proces vanaf het punt waar de verandering voorkomt in de methode opnieuw te worden

beoordeelt.

Uiteindelijk levert deze methode veel positieve resultaten op en kan veel van de huidige problematiek in de uitvoering van de handboogsport worden voorkomen of beperkt. Voorkomen van nadelige gevolgen beperkt ook het zoeken naar en uitvoeren van oplossingen en de trajecten van verandering en aanpassing.

 

Vanuit deze visie en strategie heb ik onderwerpen beschreven en zal ik onderwerpen blijven beschrijven zolang ik daartoe de mogelijkheden heb.

 

Kees Goossens, 30 december 2011,

Inleiding:

Dit document is opgedeeld in onderwerpen die vanuit de individuele benaderingsmethode worden belicht.

De aanzet van dit document is nog onsamenhangend en impulsief gevormd.

Naarmate het document verder wordt uitgebreid komen onderwerpen in een meer logische volgorde en zal het grotere geheel steeds beter zichtbaar worden. Het is als het leggen van een puzzel. Eerst de buitenranden, dan groepjes van de makkelijk herkenbare stukjes en door het springen van het ene naar het andere groepje vormen deze groepjes grotere gehelen waarbij deze op sommige plaatsen aan gaan sluiten op de randen en ten slotte de moeilijk te herkennen stukjes aan de grotere groepen aansluiten om ten slotte de gehele puzzel te kunnen afmaken. Vaak is het proberen om de moeilijke stukjes aan te sluiten maar de plaats waar het stukje past is altijd te vinden. Dit werkt wanneer de stukjes bekend zijn. Onbekende stukjes vragen een nauwkeurige bestudering van de omliggende stukjes om een beeld van het stukje te kunnen vormen.

 

Deze methode pas ik toe in dit document waardoor de complete puzzel nog niet zichtbaar zal zijn en in de beginfase zelfs de contouren nog moeten worden bepaald. Toch is het zinvol om in deze fase al stukjes bij elkaar te zoeken die bij elkaar horen en deze eventueel al aan elkaar aan te sluiten.

Tegelijkertijd zoek ik de randstukjes bij elkaar om zo de contouren te kunnen leggen.   

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Inhoudsopgave:

 

 

 

Titelblad                                                                                Pagina 1        

Voorwoord                                                                            Pagina 2

Inleiding                                                                                Pagina 3

Inhoud                                                                                   Pagina 4

Hoofdstuk 1  

Materiaal recurveboog                                          Pagina 5

            Introductieles materiaal                                         Pagina 10      

Hoofdstuk 2             

Veiligheid handboogsport                                     Pagina 13

Introductieles veiligheid                                       Pagina 15

Hoofdstuk 3              

Basis schiettechniek recurveboog barebow     Pagina 18

Les basis schiettechniek                                       Pagina 22

Hoofdstuk 4             

Verbetering schiettechniek           recurveboog                       Pagina 24

             Les verbetering schiettechniek                           Pagina 26

Hoofdstuk 5              

Warming up Cooling down handboogsport        Pagina 28

             Les Warming up Cooling down                             Pagina 30

Hoofdstuk 6              

Basis schiettechniek recurveboog met vizier   Pagina 32

             Les techniek recurveboog met vizier                 Pagina 36

Hoofdstuk 7              

Training individuele techniek                               Pagina 38

            Les training individuele techniek verbeteren   Pagina 40

Hoofdstuk 8a            

Stappenplan                         Opbouwen van de boog      

Schieten zonder vizier       Pagina 42

Hoofdstuk 8b

             Stappenplan                         Opbouwen van de boog

                                                Schieten met vizier             Pagina 45

Hoofdstuk 9

Lichamelijke ontwikkeling                                     Pagina 48

Hoofdstuk 10

             Mentale ontwikkeling                                             Pagina 52

Hoofdstuk 11

             Kleding                                                                     Pagina 54

Hoofdstuk 12

             Trainingsmethode                                                  Pagina 55

Hoofdstuk 13

Methode van aantrekken                                      Pagina 57

Hoofdstuk 14

             Stoffen voor het lichaam                                       Pagina 62

 

 

 

 

 

 

Hoofdstuk 1

 

De uitleg welke wordt meegegeven aan beginnende cursisten:

Materiaal introductie van de recurveboog:

Recurveboog;

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Veiligheid:

Het veilig monteren, opspannen, gebruiken, afspannen en demonteren van een recurveboog vereist discipline en het alert zijn op jezelf, je directe omgeving, de gehele omgeving en op het materiaal en de toestand daarvan.

 

 

 

Beschermingsmiddelen:

De gebruikelijke beschermingsmiddelen zijn de armbeschermer, borstbeschermer, vingertab, vingersling, pijlenkoker, dichte schoenen en een boogstandaard.

 

De armbescherming bestaat uit een om de (onder)arm aangebrachte beschermende strook materiaal waardoor de pees ,direct na het lossen, bij het eventueel raken van de arm géén lichamelijk nadelige gevolgen heeft voor de sporter. Ook wordt door de armbescherming eventuele kleding enigzins beschermt.

De armbescherming wordt aangebracht aan de binnenzijde van de boogarm, de arm waarmee de sporter de boog in de hand neemt.

 

De borstbeschermer is een beschermende lap gaas, leder of ander stevig materiaal  waardoor de pees, direct na het lossen, bij het eventueel raken van de borst géén lichamelijk nadelige gevolgen veroorzaakt bij de sporter. De borstbeschermer kan ook beschermen tegen losse kleding.

De borstbeschermer wordt in het borstgebied aan de boogarmzijde van de sporter aangebracht en dient over de kleding en goed aansluitend op het lichaam te worden  aangebracht.

 

De vingertab is een kunststof of lederen strookje dat de vingers waarmee de pees wordt getrokken beschermt tegen insnijding of kneuzing van zacht weefsel van vingers door de pees en door de slag bij het lossen van de pees op de vingertoppen.

 

 

 

 

 

De vingersling is een verbindingskoord tussen de duim en vinger(s) van de booghand. Dit koord beschermt de tegen het direct na het schot uit de hand vallen van de boog. Hierdoor wordt schade aan de boog voorkomen waardoor de boog niet door schade onveilig voor het volgend gebruik wordt.  

 

De pijlenkoker is een hulpmiddel om de pijlen op een veilige en beschermende manier op te bergen tot het volgende gebruik.

Het aan hebben van dichte schoenen is een goede bescherming tegen het verwonden van tenen en voeten. Bij het lopen over het terrein waar geschoten wordt kunnen in de grond terechtgekomen pijlen lastig of zelfs niet zichtbaar zijn. Hierdoor ontstaat het gevaar van het met de tenen of voeten tegen de pijl aan lopen. Dit kan ernstige en pijnlijke verwondingen tot gevolg hebben.  

Dichte schoenen beperken de risico`s hiervan aanmerkelijk.

Ook het met de punt naar beneden laten vallen van een pijl  op een voet kan pijnlijke gevolgen hebben. 

 

De bogenstandaard is een steunconstructie waarop een boog kan worden geplaatst. Voor outdoor gebruik kan deze standaard met een pen in de grond worden verankerd. De bogenstandaard beschermt de boog tegen vallen. Hierdoor wordt schade aan de boog voorkomen en daardoor worden onveilige situaties door valschade voorkomen.

 

 

De basissamenstelling van de recurveboog:

De recurveboog dankt zijn naam aan de terugbuigende werparmen nadat de boog is opgespannen.

De recurveboog bestaat uit vier hoofddelen; één middenstuk , twee werparmen en één pees.

Om te kunnen schieten is ook een pijl nodig.

 

Het middenstuk is het gedeelte waar de handboogsporter de boog in de hand neemt en waar de pijl voor een schot wordt opgelegd. 

Het basismateriaal van het middenstuk is vaak hout, lichtmetaal, carbon of een samenstelling hiervan. Het is de basis van de recurveboog en dient stabiel en onvervormbaar te zijn. Middenstukken zijn standaard in enkele lengtes te verkrijgen. De lengte is mede bepalend voor de schietkracht en de totale lengte van de recurveboog.

 

De twee werparmen vormen een set van op elkaar afgestemde buigzame latten.

Deze twee latten zijn op elkaar afgestemd en bestaan uit hout, kunststof, carbon of een samenstelling hiervan.

De set werparmen bestaat uit een onderste werparm en een bovenste werparm.

De werparm met de gegevens over de kracht en lengte is altijd de onderste en dient met de tekst naar de schutter toe te worden gemonteerd.

De bovenste werparm dient in de zelfde vorm horizontaal gespiegeld op het middenstuk te worden gemonteerd. De buigsterkte van de werparmen bepaalt voor een groot gedeelte de schietkracht van de recurveboog. De lengte van deze werparmen zijn medebepalend voor de lengte van de recurveboog.

 

De pees is het koord waarmee een pijl kan worden geschoten. De pees bestaat uit een samenstelling van kunststof draden. Het aantal draden wordt bepaald door de sterkte van de draad, de benodigde trekkracht voor een bepaalde boog en de door de handboogsporter gewenste spanning in de peesdraden.

De pees heeft een boven- en onderkant. Deze zijn vaak herkenbaar aan de grootte van het oog. Het bovenste oog is meestal groter om de boog zo veilig mogelijk te kunnen opspannen met een spankoord. Soms is de wikkelingdraad van het bovenste oog afwijkend van de middenservingdraad en de wikkelingdraad van het onderste oog. Ook kan de bovenkant van de pees worden gevonden door de hoogte van het nokkingpunt te bekijken. De markering van het nokkingpunt bevind zich aan de bovenste helft van de middenserving (trensing). De middenserving (trensing) is het dwarsgewikkelde gedeelte van de pees waar de pijl wordt genokt en de pees wordt aangetrokken door de handboogsporter. Het nokkingpunt is de gemarkeerde plaats op de middenserving (trensing) waar de nok van de pijl op de pees wordt geplaatst.

Aan het uiteinde van de pees zijn ogen gevormd. Deze ogen schuiven over de toppen van de werparmen en lopen in opgespannen toestand door de inkepingen in de toppen.

 

De pijl bestaat uit een schacht van hout, metaal, kunststof of een samenstelling daarvan. Aan het ene einde van de schacht wordt een punt aangebracht waarmee de pijl in het doel dringt.

Het andere einde wordt voorzien van een nok waarmee de pijl op de pees wordt geplaatst. De nok moet precies passen en op de pees klikken. De nok mag niet openbuigen of van de pees af kunnen schuiven wanneer deze op de pees is geplaatst.

 

A = De nok. B = De bevedering. C = De index veer. D = De versiering.

E = De schacht. F = De punt.

Op de schacht wordt naar wens bevedering aangebracht. De veren worden nagenoeg aan het einde van de schacht, nabij de nok geplaatst.

De indexveer is de veer die van de boog afwijst en vaak een afwijkende kleur heeft.

 

 

De oplegger is een kunststof of metalen steuntje dat aan het middenstuk is bevestigd en dient als oplegpunt voor de pijl.

 

 

 

 

 

 

 

Het drukpunt (button) is een instelbaar asje dat door het middenstuk heen is gemonteerd. Het drukpunt is instelbaar om de “schutters paradox” op te heffen en om de zijwaartse druk van de pijl in de richting van het middenstuk bij het lossen van het schot op te nemen. Het drukpunt creëerd afstand tussen het middenstuk en de pijl en voorkomt daardoor mede het raken van de pijl met het middenstuk direct na het lossen.

 <

Methodes en theoriën in de Handboogsport

 

 

Handboogsport Recurveboog

 

  Kees Goossens

   datum: 01 januari 2012

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Voorwoord:

 

Dit document is samengesteld en geschreven om mijn huidige kennis,  ervaring en denkwijze betreffende het beoefenen van de handboogsport vast te leggen. Deze specifieke kennis heb ik gecombineerd met mijn biologische, fysiologische en psychologische kennis van mensen en het menselijk lichaam en met kennis over levende en levenloze materie.

  

Door deze kennis te analyseren, te combineren en toe te passen worden  mogelijkheden gecreëerd en komen nieuwe inzichten tot stand die een bijdrage kunnen leveren aan de bestaande algemeen aanvaarde inzichten en kennis.

Hierbij heb ik een “vrijdenkende” positie ingenomen waarbij steeds de vraag wordt gesteld: “Is dat wel waar?”. Vaak kom ik tot de conclusie dat iedere zienswijze een kern van waarheid bezit die voor een redelijk grote groep mensen van toepassing is. Maar zeker niet voor iedereen en ook niet in dezelfde mate voor die grote groep.

Ik ga er van uit dat ieder individu een persoonlijke benadering, “De Individuele Benaderingsmethode”, nodig heeft voor het gebruik van mentale en fysieke eigenschappen.

De basis van het handboogschieten is voor iedereen gelijk. Het gaat immers om een individu een mikpunt te laten raken door het schieten van een pijl vanuit een handboog.

 

Zodra dit uitgangspunt een vervolg krijgt ontstaat er behoefte en noodzaak aan differentiatie. De uitgangspunten hierbij zijn de fysieke mogelijkheden, de mentale mogelijkheden of een combinatie daarvan en de materiële mogelijkheden.

Hierbij zijn oneindig veel combinaties mogelijk waardoor het zinvol is om hoofdgroepen te vormen waardoor de materie beheersbaar wordt.

De hoofdgroepen worden gevormd door valide en invalide mensen.

De hoofdgroepen zijn weer te verdelen in subgroepen, valide met of zonder mentale beperking en invalide met of zonder mentale beperking. 

Op deze wijze kan de onderverdeling doorgevoerd worden tot de kleinste details van het individu. 

Deze benadering is complex maar biedt de mogelijkheid om voor het individu het meest geschikte leerproces, de geschikte leermethode en de geschikte materialen te bepalen.

Het eenvoudige aan deze methode is dat het per individu eenmalig is tenzij er verandering in de uitgangspunten optreedt. Dan dient het proces vanaf het punt waar de verandering voorkomt in de methode opnieuw te worden

beoordeelt.

Uiteindelijk levert deze methode veel positieve resultaten op en kan veel van de huidige problematiek in de uitvoering van de handboogsport worden voorkomen of beperkt. Voorkomen van nadelige gevolgen beperkt ook het zoeken naar en uitvoeren van oplossingen en de trajecten van verandering en aanpassing.

 

Vanuit deze visie en strategie heb ik onderwerpen beschreven en zal ik onderwerpen blijven beschrijven zolang ik daartoe de mogelijkheden heb.

 

Kees Goossens, 30 december 2011,

Inleiding:

Dit document is opgedeeld in onderwerpen die vanuit de individuele benaderingsmethode worden belicht.

De aanzet van dit document is nog onsamenhangend en impulsief gevormd.

Naarmate het document verder wordt uitgebreid komen onderwerpen in een meer logische volgorde en zal het grotere geheel steeds beter zichtbaar worden. Het is als het leggen van een puzzel. Eerst de buitenranden, dan groepjes van de makkelijk herkenbare stukjes en door het springen van het ene naar het andere groepje vormen deze groepjes grotere gehelen waarbij deze op sommige plaatsen aan gaan sluiten op de randen en ten slotte de moeilijk te herkennen stukjes aan de grotere groepen aansluiten om ten slotte de gehele puzzel te kunnen afmaken. Vaak is het proberen om de moeilijke stukjes aan te sluiten maar de plaats waar het stukje past is altijd te vinden. Dit werkt wanneer de stukjes bekend zijn. Onbekende stukjes vragen een nauwkeurige bestudering van de omliggende stukjes om een beeld van het stukje te kunnen vormen.

 

Deze methode pas ik toe in dit document waardoor de complete puzzel nog niet zichtbaar zal zijn en in de beginfase zelfs de contouren nog moeten worden bepaald. Toch is het zinvol om in deze fase al stukjes bij elkaar te zoeken die bij elkaar horen en deze eventueel al aan elkaar aan te sluiten.

Tegelijkertijd zoek ik de randstukjes bij elkaar om zo de contouren te kunnen leggen.   

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Inhoudsopgave:

 

 

 

Titelblad                                                                                Pagina 1        

Voorwoord                                                                            Pagina 2

Inleiding                                                                                Pagina 3

Inhoud                                                                                   Pagina 4

Hoofdstuk 1  

Materiaal recurveboog                                          Pagina 5

            Introductieles materiaal                                         Pagina 10      

Hoofdstuk 2             

Veiligheid handboogsport                                     Pagina 13

Introductieles veiligheid                                       Pagina 15

Hoofdstuk 3              

Basis schiettechniek recurveboog barebow     Pagina 18

Les basis schiettechniek                                       Pagina 22

Hoofdstuk 4             

Verbetering schiettechniek           recurveboog                       Pagina 24

             Les verbetering schiettechniek                           Pagina 26

Hoofdstuk 5              

Warming up Cooling down handboogsport        Pagina 28

             Les Warming up Cooling down                             Pagina 30

Hoofdstuk 6              

Basis schiettechniek recurveboog met vizier   Pagina 32

             Les techniek recurveboog met vizier                 Pagina 36

Hoofdstuk 7              

Training individuele techniek                               Pagina 38

            Les training individuele techniek verbeteren   Pagina 40

Hoofdstuk 8a            

Stappenplan                         Opbouwen van de boog      

Schieten zonder vizier       Pagina 42

Hoofdstuk 8b

             Stappenplan                         Opbouwen van de boog

                                                Schieten met vizier             Pagina 45

Hoofdstuk 9

Lichamelijke ontwikkeling                                     Pagina 48

Hoofdstuk 10

             Mentale ontwikkeling                                             Pagina 52

Hoofdstuk 11

             Kleding                                                                     Pagina 54

Hoofdstuk 12

             Trainingsmethode                                                  Pagina 55

Hoofdstuk 13

Methode van aantrekken                                      Pagina 57

Hoofdstuk 14

             Stoffen voor het lichaam                                       Pagina 62

 

 

 

 

 

 

Hoofdstuk 1

 

De uitleg welke wordt meegegeven aan beginnende cursisten:

Materiaal introductie van de recurveboog:

Recurveboog;

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Veiligheid:

Het veilig monteren, opspannen, gebruiken, afspannen en demonteren van een recurveboog vereist discipline en het alert zijn op jezelf, je directe omgeving, de gehele omgeving en op het materiaal en de toestand daarvan.

 

 

 

Beschermingsmiddelen:

De gebruikelijke beschermingsmiddelen zijn de armbeschermer, borstbeschermer, vingertab, vingersling, pijlenkoker, dichte schoenen en een boogstandaard.

 

De armbescherming bestaat uit een om de (onder)arm aangebrachte beschermende strook materiaal waardoor de pees ,direct na het lossen, bij het eventueel raken van de arm géén lichamelijk nadelige gevolgen heeft voor de sporter. Ook wordt door de armbescherming eventuele kleding enigzins beschermt.

De armbescherming wordt aangebracht aan de binnenzijde van de boogarm, de arm waarmee de sporter de boog in de hand neemt.

 

De borstbeschermer is een beschermende lap gaas, leder of ander stevig materiaal  waardoor de pees, direct na het lossen, bij het eventueel raken van de borst géén lichamelijk nadelige gevolgen veroorzaakt bij de sporter. De borstbeschermer kan ook beschermen tegen losse kleding.

De borstbeschermer wordt in het borstgebied aan de boogarmzijde van de sporter aangebracht en dient over de kleding en goed aansluitend op het lichaam te worden  aangebracht.

 

De vingertab is een kunststof of lederen strookje dat de vingers waarmee de pees wordt getrokken beschermt tegen insnijding of kneuzing van zacht weefsel van vingers door de pees en door de slag bij het lossen van de pees op de vingertoppen.

 

 

 

 

 

De vingersling is een verbindingskoord tussen de duim en vinger(s) van de booghand. Dit koord beschermt de tegen het direct na het schot uit de hand vallen van de boog. Hierdoor wordt schade aan de boog voorkomen waardoor de boog niet door schade onveilig voor het volgend gebruik wordt.  

 

De pijlenkoker is een hulpmiddel om de pijlen op een veilige en beschermende manier op te bergen tot het volgende gebruik.

Het aan hebben van dichte schoenen is een goede bescherming tegen het verwonden van tenen en voeten. Bij het lopen over het terrein waar geschoten wordt kunnen in de grond terechtgekomen pijlen lastig of zelfs niet zichtbaar zijn. Hierdoor ontstaat het gevaar van het met de tenen of voeten tegen de pijl aan lopen. Dit kan ernstige en pijnlijke verwondingen tot gevolg hebben.  

Dichte schoenen beperken de risico`s hiervan aanmerkelijk.

Ook het met de punt naar beneden laten vallen van een pijl  op een voet kan pijnlijke gevolgen hebben. 

 

De bogenstandaard is een steunconstructie waarop een boog kan worden geplaatst. Voor outdoor gebruik kan deze standaard met een pen in de grond worden verankerd. De bogenstandaard beschermt de boog tegen vallen. Hierdoor wordt schade aan de boog voorkomen en daardoor worden onveilige situaties door valschade voorkomen.

 

 

De basissamenstelling van de recurveboog:

De recurveboog dankt zijn naam aan de terugbuigende werparmen nadat de boog is opgespannen.

De recurveboog bestaat uit vier hoofddelen; één middenstuk , twee werparmen en één pees.

Om te kunnen schieten is ook een pijl nodig.

 

Het middenstuk is het gedeelte waar de handboogsporter de boog in de hand neemt en waar de pijl voor een schot wordt opgelegd. 

Het basismateriaal van het middenstuk is vaak hout, lichtmetaal, carbon of een samenstelling hiervan. Het is de basis van de recurveboog en dient stabiel en onvervormbaar te zijn. Middenstukken zijn standaard in enkele lengtes te verkrijgen. De lengte is mede bepalend voor de schietkracht en de totale lengte van de recurveboog.

 

De twee werparmen vormen een set van op elkaar afgestemde buigzame latten.

Deze twee latten zijn op elkaar afgestemd en bestaan uit hout, kunststof, carbon of een samenstelling hiervan.

De set werparmen bestaat uit een onderste werparm en een bovenste werparm.

De werparm met de gegevens over de kracht en lengte is altijd de onderste en dient met de tekst naar de schutter toe te worden gemonteerd.

De bovenste werparm dient in de zelfde vorm horizontaal gespiegeld op het middenstuk te worden gemonteerd. De buigsterkte van de werparmen bepaalt voor een groot gedeelte de schietkracht van de recurveboog. De lengte van deze werparmen zijn medebepalend voor de lengte van de recurveboog.

 

De pees is het koord waarmee een pijl kan worden geschoten. De pees bestaat uit een samenstelling van kunststof draden. Het aantal draden wordt bepaald door de sterkte van de draad, de benodigde trekkracht voor een bepaalde boog en de door de handboogsporter gewenste spanning in de peesdraden.

De pees heeft een boven- en onderkant. Deze zijn vaak herkenbaar aan de grootte van het oog. Het bovenste oog is meestal groter om de boog zo veilig mogelijk te kunnen opspannen met een spankoord. Soms is de wikkelingdraad van het bovenste oog afwijkend van de middenservingdraad en de wikkelingdraad van het onderste oog. Ook kan de bovenkant van de pees worden gevonden door de hoogte van het nokkingpunt te bekijken. De markering van het nokkingpunt bevind zich aan de bovenste helft van de middenserving (trensing). De middenserving (trensing) is het dwarsgewikkelde gedeelte van de pees waar de pijl wordt genokt en de pees wordt aangetrokken door de handboogsporter. Het nokkingpunt is de gemarkeerde plaats op de middenserving (trensing) waar de nok van de pijl op de pees wordt geplaatst.

Aan het uiteinde van de pees zijn ogen gevormd. Deze ogen schuiven over de toppen van de werparmen en lopen in opgespannen toestand door de inkepingen in de toppen.

 

De pijl bestaat uit een schacht van hout, metaal, kunststof of een samenstelling daarvan. Aan het ene einde van de schacht wordt een punt aangebracht waarmee de pijl in het doel dringt.

Het andere einde wordt voorzien van een nok waarmee de pijl op de pees wordt geplaatst. De nok moet precies passen en op de pees klikken. De nok mag niet openbuigen of van de pees af kunnen schuiven wanneer deze op de pees is geplaatst.

 

A = De nok. B = De bevedering. C = De index veer. D = De versiering.

E = De schacht. F = De punt.

Op de schacht wordt naar wens bevedering aangebracht. De veren worden nagenoeg aan het einde van de schacht, nabij de nok geplaatst.

De indexveer is de veer die van de boog afwijst en vaak een afwijkende kleur heeft.

 

 

De oplegger is een kunststof of metalen steuntje dat aan het middenstuk is bevestigd en dient als oplegpunt voor de pijl.

 

 

 

 

 

 

 

Het drukpunt (button) is een instelbaar asje dat door het middenstuk heen is gemonteerd. Het drukpunt is instelbaar om de “schutters paradox” op te heffen en om de zijwaartse druk van de pijl in de richting van het middenstuk bij het lossen van het schot op te nemen. Het drukpunt creëerd afstand tussen het middenstuk en de pijl en voorkomt daardoor mede het raken van de pijl met het middenstuk direct na het lossen.

 

Handboogsport

 

 

Handboogsport Recurveboog

 

  Kees Goossens

   datum: 31 december 2011

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Voorwoord:

 

Dit document is samengesteld en geschreven om mijn huidige kennis,  ervaring en denkwijze betreffende het beoefenen van de handboogsport vast te leggen. Deze specifieke kennis heb ik gecombineerd met mijn biologische, fysiologische en psychologische kennis van mensen en het menselijk lichaam en met kennis over levende en levenloze materie.

  

Door deze kennis te analyseren, te combineren en toe te passen worden  mogelijkheden gecreëerd en komen nieuwe inzichten tot stand die een bijdrage kunnen leveren aan de bestaande algemeen aanvaarde inzichten en kennis.

Hierbij heb ik een “vrijdenkende” positie ingenomen waarbij steeds de vraag wordt gesteld: “Is dat wel waar?”. Vaak kom ik tot de conclusie dat iedere zienswijze een kern van waarheid bezit die voor een redelijk grote groep mensen van toepassing is. Maar zeker niet voor iedereen en ook niet in dezelfde mate voor die grote groep.

Ik ga er van uit dat ieder individu een persoonlijke benadering, “De Individuele Benaderingsmethode”, nodig heeft voor het gebruik van mentale en fysieke eigenschappen.

De basis van het handboogschieten is voor iedereen gelijk. Het gaat immers om een individu een mikpunt te laten raken door het schieten van een pijl vanuit een handboog.

 

Zodra dit uitgangspunt een vervolg krijgt ontstaat er behoefte en noodzaak aan differentiatie. De uitgangspunten hierbij zijn de fysieke mogelijkheden, de mentale mogelijkheden of een combinatie daarvan en de materiële mogelijkheden.

Hierbij zijn oneindig veel combinaties mogelijk waardoor het zinvol is om hoofdgroepen te vormen waardoor de materie beheersbaar wordt.

De hoofdgroepen worden gevormd door valide en invalide mensen.

De hoofdgroepen zijn weer te verdelen in subgroepen, valide met of zonder mentale beperking en invalide met of zonder mentale beperking. 

Op deze wijze kan de onderverdeling doorgevoerd worden tot de kleinste details van het individu. 

Deze benadering is complex maar biedt de mogelijkheid om voor het individu het meest geschikte leerproces, de geschikte leermethode en de geschikte materialen te bepalen.

Het eenvoudige aan deze methode is dat het per individu eenmalig is tenzij er verandering in de uitgangspunten optreedt. Dan dient het proces vanaf het punt waar de verandering voorkomt in de methode opnieuw te worden

beoordeelt.

Uiteindelijk levert deze methode veel positieve resultaten op en kan veel van de huidige problematiek in de uitvoering van de handboogsport worden voorkomen of beperkt. Voorkomen van nadelige gevolgen beperkt ook het zoeken naar en uitvoeren van oplossingen en de trajecten van verandering en aanpassing.

 

Vanuit deze visie en strategie heb ik onderwerpen beschreven en zal ik onderwerpen blijven beschrijven zolang ik daartoe de mogelijkheden heb.

 

Kees Goossens, 30 december 2011,

Inleiding:

Dit document is opgedeeld in onderwerpen die vanuit de individuele benaderingsmethode worden belicht.

De aanzet van dit document is nog onsamenhangend en impulsief gevormd.

Naarmate het document verder wordt uitgebreid komen onderwerpen in een meer logische volgorde en zal het grotere geheel steeds beter zichtbaar worden. Het is als het leggen van een puzzel. Eerst de buitenranden, dan groepjes van de makkelijk herkenbare stukjes en door het springen van het ene naar het andere groepje vormen deze groepjes grotere gehelen waarbij deze op sommige plaatsen aan gaan sluiten op de randen en ten slotte de moeilijk te herkennen stukjes aan de grotere groepen aansluiten om ten slotte de gehele puzzel te kunnen afmaken. Vaak is het proberen om de moeilijke stukjes aan te sluiten maar de plaats waar het stukje past is altijd te vinden. Dit werkt wanneer de stukjes bekend zijn. Onbekende stukjes vragen een nauwkeurige bestudering van de omliggende stukjes om een beeld van het stukje te kunnen vormen.

 

Deze methode pas ik toe in dit document waardoor de complete puzzel nog niet zichtbaar zal zijn en in de beginfase zelfs de contouren nog moeten worden bepaald. Toch is het zinvol om in deze fase al stukjes bij elkaar te zoeken die bij elkaar horen en deze eventueel al aan elkaar aan te sluiten.

Tegelijkertijd zoek ik de randstukjes bij elkaar om zo de contouren te kunnen leggen.   

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Inhoudsopgave:

 

 

 

Titelblad                                                                                Pagina 1        

Voorwoord                                                                            Pagina 2

Inleiding                                                                                Pagina 3

Inhoud                                                                                   Pagina 4

Hoofdstuk 1  

Materiaal recurveboog                                          Pagina 5

            Introductieles materiaal                                         Pagina 10      

Hoofdstuk 2             

Veiligheid handboogsport                                     Pagina 13

Introductieles veiligheid                                       Pagina 15

Hoofdstuk 3              

Basis schiettechniek recurveboog barebow     Pagina 18

Les basis schiettechniek                                       Pagina 22

Hoofdstuk 4             

Verbetering schiettechniek           recurveboog                       Pagina 24

             Les verbetering schiettechniek                           Pagina 26

Hoofdstuk 5              

Warming up Cooling down handboogsport        Pagina 28

             Les Warming up Cooling down                             Pagina 30

Hoofdstuk 6              

Basis schiettechniek recurveboog met vizier   Pagina 32

             Les techniek recurveboog met vizier                 Pagina 36

Hoofdstuk 7              

Training individuele techniek                               Pagina 38

            Les training individuele techniek verbeteren   Pagina 40

Hoofdstuk 8a            

Stappenplan                         Opbouwen van de boog      

Schieten zonder vizier       Pagina 42

Hoofdstuk 8b

             Stappenplan                         Opbouwen van de boog

                                                Schieten met vizier             Pagina 45

Hoofdstuk 9

Lichamelijke ontwikkeling                                     Pagina 48

Hoofdstuk 10

             Mentale ontwikkeling                                             Pagina 52

Hoofdstuk 11

             Kleding                                                                     Pagina 54

Hoofdstuk 12

             Trainingsmethode                                                  Pagina 55

Hoofdstuk 12

Methode van aantrekken                                       Pagina 57

Hoofdstuk 13

             Voeding en drinken                                                Pagina 62

 

 

 

 

 

 

Hoofdstuk 1

 

De uitleg welke wordt meegegeven aan beginnende cursisten:

Materiaal introductie van de recurveboog:

Recurveboog;

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Veiligheid:

Het veilig monteren, opspannen, gebruiken, afspannen en demonteren van een recurveboog vereist discipline en het alert zijn op jezelf, je directe omgeving, de gehele omgeving en op het materiaal en de toestand daarvan.

 

 

 

Beschermingsmiddelen:

De gebruikelijke beschermingsmiddelen zijn de armbeschermer, borstbeschermer, vingertab, vingersling, pijlenkoker, dichte schoenen en een boogstandaard.

 

De armbescherming bestaat uit een om de (onder)arm aangebrachte beschermende strook materiaal waardoor de pees ,direct na het lossen, bij het eventueel raken van de arm géén lichamelijk nadelige gevolgen heeft voor de sporter. Ook wordt door de armbescherming eventuele kleding enigzins beschermt.

De armbescherming wordt aangebracht aan de binnenzijde van de boogarm, de arm waarmee de sporter de boog in de hand neemt.

 

De borstbeschermer is een beschermende lap gaas, leder of ander stevig materiaal  waardoor de pees, direct na het lossen, bij het eventueel raken van de borst géén lichamelijk nadelige gevolgen veroorzaakt bij de sporter. De borstbeschermer kan ook beschermen tegen losse kleding.

De borstbeschermer wordt in het borstgebied aan de boogarmzijde van de sporter aangebracht en dient over de kleding en goed aansluitend op het lichaam te worden  aangebracht.

 

De vingertab is een kunststof of lederen strookje dat de vingers waarmee de pees wordt getrokken beschermt tegen insnijding of kneuzing van zacht weefsel van vingers door de pees en door de slag bij het lossen van de pees op de vingertoppen.

 

 

 

 

 

De vingersling is een verbindingskoord tussen de duim en vinger(s) van de booghand. Dit koord beschermt de tegen het direct na het schot uit de hand vallen van de boog. Hierdoor wordt schade aan de boog voorkomen waardoor de boog niet door schade onveilig voor het volgend gebruik wordt.  

 

De pijlenkoker is een hulpmiddel om de pijlen op een veilige en beschermende manier op te bergen tot het volgende gebruik.

Het aan hebben van dichte schoenen is een goede bescherming tegen het verwonden van tenen en voeten. Bij het lopen over het terrein waar geschoten wordt kunnen in de grond terechtgekomen pijlen lastig of zelfs niet zichtbaar zijn. Hierdoor ontstaat het gevaar van het met de tenen of voeten tegen de pijl aan lopen. Dit kan ernstige en pijnlijke verwondingen tot gevolg hebben.  

Dichte schoenen beperken de risico`s hiervan aanmerkelijk.

Ook het met de punt naar beneden laten vallen van een pijl  op een voet kan pijnlijke gevolgen hebben. 

 

De bogenstandaard is een steunconstructie waarop een boog kan worden geplaatst. Voor outdoor gebruik kan deze standaard met een pen in de grond worden verankerd. De bogenstandaard beschermt de boog tegen vallen. Hierdoor wordt schade aan de boog voorkomen en daardoor worden onveilige situaties door valschade voorkomen.

 

 

De basissamenstelling van de recurveboog:

De recurveboog dankt zijn naam aan de terugbuigende werparmen nadat de boog is opgespannen.

De recurveboog bestaat uit vier hoofddelen; één middenstuk , twee werparmen en één pees.

Om te kunnen schieten is ook een pijl nodig.

 

Het middenstuk is het gedeelte waar de handboogsporter de boog in de hand neemt en waar de pijl voor een schot wordt opgelegd. 

Het basismateriaal van het middenstuk is vaak hout, lichtmetaal, carbon of een samenstelling hiervan. Het is de basis van de recurveboog en dient stabiel en onvervormbaar te zijn. Middenstukken zijn standaard in enkele lengtes te verkrijgen. De lengte is mede bepalend voor de schietkracht en de totale lengte van de recurveboog.

 

De twee werparmen vormen een set van op elkaar afgestemde buigzame latten.

Deze twee latten zijn op elkaar afgestemd en bestaan uit hout, kunststof, carbon of een samenstelling hiervan.

De set werparmen bestaat uit een onderste werparm en een bovenste werparm.

De werparm met de gegevens over de kracht en lengte is altijd de onderste en dient met de tekst naar de schutter toe te worden gemonteerd.

De bovenste werparm dient in de zelfde vorm horizontaal gespiegeld op het middenstuk te worden gemonteerd. De buigsterkte van de werparmen bepaalt voor een groot gedeelte de schietkracht van de recurveboog. De lengte van deze werparmen zijn medebepalend voor de lengte van de recurveboog.

 

De pees is het koord waarmee een pijl kan worden geschoten. De pees bestaat uit een samenstelling van kunststof draden. Het aantal draden wordt bepaald door de sterkte van de draad, de benodigde trekkracht voor een bepaalde boog en de door de handboogsporter gewenste spanning in de peesdraden.

De pees heeft een boven- en onderkant. Deze zijn vaak herkenbaar aan de grootte van het oog. Het bovenste oog is meestal groter om de boog zo veilig mogelijk te kunnen opspannen met een spankoord. Soms is de wikkelingdraad van het bovenste oog afwijkend van de middenservingdraad en de wikkelingdraad van het onderste oog. Ook kan de bovenkant van de pees worden gevonden door de hoogte van het nokkingpunt te bekijken. De markering van het nokkingpunt bevind zich aan de bovenste helft van de middenserving (trensing). De middenserving (trensing) is het dwarsgewikkelde gedeelte van de pees waar de pijl wordt genokt en de pees wordt aangetrokken door de handboogsporter. Het nokkingpunt is de gemarkeerde plaats op de middenserving (trensing) waar de nok van de pijl op de pees wordt geplaatst.

Aan het uiteinde van de pees zijn ogen gevormd. Deze ogen schuiven over de toppen van de werparmen en lopen in opgespannen toestand door de inkepingen in de toppen.

 

De pijl bestaat uit een schacht van hout, metaal, kunststof of een samenstelling daarvan. Aan het ene einde van de schacht wordt een punt aangebracht waarmee de pijl in het doel dringt.

Het andere einde wordt voorzien van een nok waarmee de pijl op de pees wordt geplaatst. De nok moet precies passen en op de pees klikken. De nok mag niet openbuigen of van de pees af kunnen schuiven wanneer deze op de pees is geplaatst.

 

A = De nok. B = De bevedering. C = De index veer. D = De versiering.

E = De schacht. F = De punt.

Op de schacht wordt naar wens bevedering aangebracht. De veren worden nagenoeg aan het einde van de schacht, nabij de nok geplaatst.

De indexveer is de veer die van de boog afwijst en vaak een afwijkende kleur heeft.

 

 

De oplegger is een kunststof of metalen steuntje dat aan het middenstuk is bevestigd en dient als oplegpunt voor de pijl.

 

 

 

 

 

 

 

Het drukpunt (button) is een instelbaar asje dat door het middenstuk heen is gemonteerd. Het drukpunt is instelbaar om de “schutters paradox” op te heffen en om de zijwaartse druk van de pijl in de richting van het middenstuk bij het lossen van het schot op te ne

UNIVERSIALS basissteentjes van de natuur

Het basisbouwsteentje van het Universum:

 

UNIVERSIALS

 

 

Het systeem van “Universials”.

 

Een Universial is het basis bouwsteentje van materie en komt in alle materie in exact dezelfde vorm voor. Het is een universeel basis blokje.

 

Het aantal Universials in een Quark bepaald de basiseigenschappen van de Quark.

De samenstelling van de Quarks bepaald de eigenschappen van een elektron, ion, proton en neutron.

De samenstelling van de elektronen, ionen, protonen en neutronen bepaald de eigenschappen van een atoom.

De samenstelling van atomen bepaald de eigenschappen van een materie.

 

 

Universials binden, door hun elementaire energie, vrije ruimte waarin ze zich bewegen. Ze zijn universeel en ondeelbaar, het zijn de basis blokjes van het universum.

Om de energie van deze Universials te kunnen geleiden is een constructie met vrije ruimte de meest efficiënte manier.

De Universials komen separaat of gegroepeerd voor. Verbonden met vrije ruimte zijn het Quarks, zijnde een deel van een proton of neutron. De samenstelling van de Quarks en de combinatie van Quarks leiden tot atomen. De vrije ruimte blijft essentieel voor de trillingen van de energie.

 

Hoe Universials voor te stellen:

 

Een Universial is één energie elementje dat alleen in combinatie met ruimte kinetische energie genereert.

Het elementje reageert op de omgevingsdruk. Bij extreem hoge druk (en/of temperatuur) laat de Universial de vrije ruimte los en wordt inactief en genereert statische energie.

Bij lagere druk bindt de Universial zich met vrije ruimte en genereert kinetische energie.

Dit is een omkeerbaar proces en de Universial blijft in tact.

 

In deze theorie zijn er twee basiselementen zijnde Universials en vrije ruimte.

De Universials reageren op de omgevingsdruk.

Bij lage druk expandeert de Universial door vrije ruimte op te nemen. De Universial is een soort schuimbalstructuur die expandeert door vrije ruimte op te nemen.   

Bij hoge druk comprimeert de Universial en wordt de vrije ruimte uit de schuimbal geperst.

 

Door de expansie en de vrije ruimte komt er spanning op de Universial “vezels” waardoor trilling ontstaat. Deze trilling is de elementaire energie die toepasbaar is voor vorming van Quarks.

Bij compressie komt er spanning op de Universial “vezels” waardoor de trilling afneemt en de energie niet toepasbaar is voor vorming van Quarks maar wel voor vorming van massa-energie (zwaartekracht). 

 

Beeldvorming van Universials:

 

Stel je Universials voor als schuimballen met open cellen.

Stop een minimaal aantal schuimballen in een glazen stolp, zodanig dat de pot geheel gevuld. Géén tussenruimte tussen de ballen openlaten.

 

Je ziet nu dat de ballen nog voldoende samendrukbaar zijn om meer ballen in de stolp te kunnen doen.

 

Deze situatie is een beeldvoorstelling van Universials met maximale vrije ruimte.

De Universials hebben géén oppervlaktespanning waardoor ze zichzelf naar hun omgeving kunnen vormen. Dit is voor te stellen met zakjes vloeistof in een stolp.

 

Vul nu de stolp met een maximaal aantal schuimballen.

Je ziet nu dat de ballen niet meer samendrukbaar zijn omdat er te weinig ruimte is om te bewegen. Echter de energie en samenstelling van de ballen zelf is niet veranderd.

 

Deze situatie is een beeldvoorstelling van Universials met minimale vrije ruimte.

De Universials hebben alle materie in een zo minimaal mogelijke ruimte gecomprimeerd.  

 

Volgens deze theorie is af te leiden dat een “Zwart Gat” een opeenhoping is van Universials in gecomprimeerde toestand.

De vrije ruimte van deze gecomprimeerde Universials vormt het luchtledige heelal.

De geëxpandeerde Universials vormen de aanwezige materie in de vorm van gas, vaste stof en vloeistof.

 

Verklaring van energie:

Energie is het systeem van expansie en compressie van Universials.

De Universials genereren kinetische energie bij expansie door vrije ruimte.

De statische energie wordt gegenereerd door compressie waardoor de vrije ruimte wordt afgedreven.

Eén Universial kan alleen voorkomen in gecomprimeerde toestand. Echter de statische energie veroorzaakt binding met andere Universials.

De statische energie draagt bij aan afdrijving van vrije ruimte bij andere Universials.

Quarks vervallen in losse Universials wanneer de kinetische energie zwakker is dan de statische energie.

 

Aantrekkingskracht (zwaartekracht) is een vorm van overgang naar statische energie waarbij de kinetische energie de overhand heeft.

Zolang de kinetische energie sterker is blijft materie bestaan. Is de statische energie sterker dan vervalt materie tot Universials. 

 

Deze theorie combineert alle natuurkundige krachten in één basismodel.

Bewijzen kan ik het niet maar de theorie biedt antwoorden  op de tot op heden gestelde vraagstukken op dit gebied.

 

  

Kees Goossens,

08 januari 2011.

 

DE GLOBALE MENSHEID

Auteur: Kees Goossens

Datum: 09 maart 2009.

Intellectueel eigendom van C.W.A. Goossens

Deze gegevens en ideeën mogen zonder uitdrukkelijke en schriftelijke toestemming van de auteur niet worden gereproduceerd, vermenigvuldigd of gebruikt in presentatie of publicatie op welke wijze dan ook. Deze gegevens en ideeën zijn auteursrechtelijk beschermd.

Het grafiekmodel en de grafiekvorm wordt middels auteursrechten en intellectueel eigendom beschermd.

 

 

Globale Mensheid.

 

Er bestaan veel overeenkomsten en nog meer verschillen tussen mensen.

Er zijn constante- en variabele eigenschappen en vermogens.

 

Om een globaal beeld te vormen van hoe de menselijke eigenschappen zich ten opzichte van elkaar verhouden en hoe de verdeling over de bevolking zich verhoudt is het mij gelukt om een beeldvoorstelling te maken waardoor inzichtelijk wordt hoe mensen persoonlijk en onderling kunnen functioneren.

Gezien de complexiteit van deze materie is het niet mogelijk om een eenvoudige voorstelling te maken van de totale menselijke eigenschappen. Maar een selectie van zéér belangrijke en essentiële kenmerken en eigenschappen maakt het mogelijk om een begin te maken van het totaal menselijk profiel.

Naarmate de ontwikkelingen op dit gebied vooruitgang boeken zal de voorstelling completer en complexer kunnen worden gemaakt.

 

De drie belangrijkste uitgangspunten zijn Genetische INFORMATIE, Begaafdheid ofwel het verstandelijk VERMOGEN en leer-, denk- en functioneerPROCESSEN van mensen.

 

Bolgrafiek:

Laagvermogen (zwakbegaafdheid) tot Hoogvermogen (hoogbegaafdheid) in een percentielschaal (0 tot 99) radiaal op de bolgrafiek.

Figuraal denkproces  in een percentielschaal  (0 tot 99) meridiaal op de bolgrafiek.

Genetische informatie in een schaalverdeling van een aantal te onderscheiden genetische items (100) op de straallengte van de bolgrafiek.

 

Deze menselijke eigenschappen VERMOGEN en PROCESSEN zijn grafisch weer te geven in een Gausch-kromme.

Bij combinatie van twee Gausch-krommen ontstaat een bolvorm.

Deze vorm is een evenbeeld van een globe met breedte (radiaal) en lengte (meridiaal) lijnen.

De verdeling in de breedte en lengte, elk in 100 banen leidt tot een driedimensionaal beeld van de gegevens uit de twee-dimensionale grafieken.  

Voorts is het mogelijk om inwendig op de straal de bol te verdelen in schillen waarop de GENETISCHE eigenschappen kunnen worden verdeeld.

Het resultaat is een globale voorstelling van de mens met individuele eigenschappen in relatie tot andere mensen met hun eigenschappen.

Door individuele mensen een plaats te geven in deze bolvorm is het mogelijk om te concluderen bij welke medemens men op basis van de uitgangspunten aansluiting kan vinden.

 

Deze voorstelling is niet bedoeld om mensen te ordenen en in keureigenschappen te vervatten.

Uitgangspunt is het vinden van oorzaken van problemen en het daardoor kunnen aanbieden van mogelijke oplossingen voor die problemen.

Natuurlijk is het buskruit bedacht voor goede doeleinden en eenmaal uitgevonden gebruikt voor alle mogelijke toepassingen. Toch mag het niet zo zijn dat een dergelijke vinding niet moet worden gebruikt omdat er risico`s aan verbonden zijn.

 

Deze vinding is mijnsinziens revolutionair op gebied van inzicht en begrip in het menselijk denken en functioneren.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Deze eigenschappen verwerkt in de voornoemde bolgrafiek geven een aannemelijk beeld van de bevolkingssamenstelling gerelateerd aan die eigenschappen.

 

 

 

Foto 1.

Schaalverdeling proces.

 

 

 

Foto 2.

Maximaal vermogen, centrum.

Foto 3.

Schaalverdeling vermogen bovengemiddeld.

 

Foto 4.

Schaalverdeling vermogen benedengemiddeld.

Foto 5.

Schaalverdeling vermogen t.o.v. proces.

 

 

 

Neurologische samenstelling:

 

De term Beeld(figuraal)denken is een relatief nieuw begrip.

Van nature denkt een mens in beelden (figuraal).

Er wordt in de huidige samenleving voornamelijk uitgegaan van de mogelijkheid van elk mens om in ongeveer gelijke mate op jeugdige leeftijd zich taal(begrip)denken eigen te maken.

Dit is een misvatting. Uit onderzoek zal blijken dat de verdeling in overwegend taal-denkenden en figuraal-denkenden uitkomt in een Gausch-kromme. Hieruit is dan op te maken dat een aanzienlijk gedeelte van de gehele bevolking te ver van het gemiddelde afstaat om met de huidige opvattingen en leermethodes resultaten te boeken.

De personen uit deze groep zullen in meer of mindere mate (ook afhankelijk van hun andere persoonlijke eigenschappen en kenmerken) problemen of voordelen ondervinden in hun ontwikkeling en scholing.

Verder onderzoek op dit gebied is noodzakelijk om een bruikbaar beeld te vormen van de samenleving. Daarnaast is het een kans voor de samenleving om deze bevolkingsgroep een bijdrage te laten leveren aan de kenniseconomie en om oorzaken van vele sociale en persoonlijke problemen te ontdekken, op te lossen en ook te voorkomen.    

 

Een fenomeen dat ook een belangrijk onderdeel is van het menselijk denken en handelen is het neurologisch functioneren. De “dominante hersenhelft bepaalt mede het menselijk denken en handelen. Een bekend uiterlijk kenmerk hiervan is de linkshandigheid bij ongeveer een kwart van de bevolking. De oorzaak hierin is in de wetenschap gevonden in de dominante rechterhersenhelft van krap de helft van de bevolking waarvan wederom krap de helft het uiterlijk kenmerk linkshandig heeft. De andere helft van deze groep is rechtshandig. Ook heeft een klein gedeelte van deze beide groepen een (bijna) gelijkwaardige controle over linker- en rechterhandigheid. Dominantie van de linkerhersenhelft leidt nagenoeg altijd tot rechtshandigheid.  

 

Deze theorie is gedeeltelijk plausibel. Maar er zijn nog te veel onverklaarde situaties die niet voldoen aan deze theorie om deze theorie als juist en compleet te beschouwen.

 

Zie voor een nieuwe theorie hierover:  “De Primaire Route Theorie”

 

 

11 MAART 2009

Kees Goossens.

BEELDDENKEN

BEELDDENKEN.

 

Persoonlijke visie en beschrijving van Kees Goossens.

 

Voorwoord:

De specifieke eigenschap die het mij mogelijk maakt om tot visie die ik hier beschrijf te komen is mijn vermogen om beelddenken met logica te combineren door snel te schakelen tussen beide processen als ware het één proces.

 

Door persoonlijke omstandigheden en ervaringen ben ik, sinds juli 2008 zéér geïnteresseerd in het functioneren van het menselijk brein. Hierdoor ben ik literatuur, boeken en artikelen gaan lezen en bestuderen over dit onderwerp. Al snel kwam het begrip beelddenken onder mijn aandacht. Door mijn breed kennisgebied en mijn “manier” van denken heb ik theorieën ontwikkeld waarin beelddenken een belangrijke plaats heeft.

 

Voor mijn theorieën vind ik steeds meer onderbouwing in literatuur en wetenschappelijke publicaties. Deze theorieën bieden veel aanknopingspunten voor oorzaken en veranderingen en verbeteringen van problematiek van dyslexie, dyscalculie, stotteren, slecht handschrift, motorische stoornissen en dergelijke.

Ook is het fenomeen beelddenken met mijn theorieën te herleiden en verklaren. Het is daardoor mogelijk om wetenschappelijk te verklaren wat beelddenken is.

 

Mijn theorieën zijn stellig en duidelijk. Het aantonen van die theorieën vergt een inspanning die voor mij individueel op korte termijn niet haalbaar is.

Ik heb nog een lange weg te gaan maar ga onvermoeibaar door!

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Theorie over beelddenken:

                  

Inleiding:

Het menselijk lichaam lijkt grotendeels symmetrisch. Toch is het lichaam dat niet. Soms duidelijk, denk aan hart, lever. Vaak minder duidelijk. Kennis over de minder duidelijke asymmetrie is van belang om het begrip beelddenken te doorgronden.

 

Asymmetrie van het lichaam:

De duidelijke asymmetrische delen van het lichaam zoals hart, lever en maag veroorzaken duidelijke asymmetrie in andere stelsels van het lichaam zoals in het bloedvatenstelsel en het zenuwstelsel.

Minder duidelijke asymmetrie zorgt voor minder duidelijke asymmetrie in andere stelsels. Juist dit is een belangrijk uitgangspunt voor het doorgronden en wetenschappelijk bewijs van beelddenken.

 

De minder duidelijke asymmetrie:

Deze asymmetrie bestaat uit verschillende delen, de fysieke asymmetrie, de functionele asymmetrie, de reactie asymmetrie.

 

Het lichaam heeft een linker- en rechterzijde t.o.v. de denkbeeldige symmetrie-as die verticaal door het midden van het lichaam loopt, van hoofdkruin tot het punt tussen de voeten.

Deze as verdeelt het lichaam in twee zijden, links en rechts.

 

Duidelijk waarneembare asymmetrie eigenschappen zijn met populaire benaming uitgedrukt;  links- of rechtshandigheid en links- of rechtsbenigheid.

Ook beharing of beter verschil in beharing links- en rechts is een uiterlijk kenmerk van asymmetrie.

Bij het spiegelen van een linker of rechter gezichtshelft en het combineren daarvan met het origineel blijkt tussen de linker en rechter gezichtshelft ook een opmerkelijk verschil in symmetrie te bestaan. Dit geldt overigens voor het gehele lichaam.

Krachtsverschil tussen de linker en rechterkant van het lichaam geeft ook asymmetrie aan.    

Verschil in afmetingen van delen links en rechts van het lichaam geven asymmetrie aan.

In uitzonderlijke situaties is iriskleur van de ogen links en rechts duidelijk verschillend, ook een duidelijke asymmetrie.

Er zijn nog vele voorbeelden te noemen die asymmetrie van het lichaam aantonen.

 

Al deze voorbeelden zijn uiterlijke kenmerken. De oorzaak van de asymmetrie heeft direct verband met beelddenken en is herleidbaar naar de  informatie-systemen van het lichaam.

 

 

Het Zenuwstelsel:

 

Het zenuwstelsel is het basissysteem voor informatie-overdracht in het lichaam.

Het zenuwstelsel is het transportmiddel voor informatie van en naar iedere levende lichaamscel, hetzij direct of indirect bereikbaar.

 

Een zenuwcel is één enkele cel als segment van de zenuwdraad.

Een zenuwdraad is één enkele draad van zenuwcellen.

Een zenuwbundel is een samengestelde bundel van zenuwdraden.

Een zenuwbaan is het traject dat door de informatie wordt afgelegd.

 

De hersenen zijn het basis verwerkingssysteem van al die informatie. De hersenen ontvangen, verwerken en zenden informatie.

Alle informatie wordt overgebracht door zenuwdraden die samen zenuwbundels vormen. In de hersenen eindigen de zenuwdraden middels vertakkingen in de hersencellen. In het lichaam eindigen de zenuwdraden middels vertakkingen in receptoren, deceptoren of transformatoren. Ook worden zenuwbundels onderling verbonden door vertakkingen van zenuwdraden. Voor informatiecoördinatie zijn er in het traject ook tussenstations vanaf en naar de hersenen.

 

De zenuwbundels zijn bundelingen van zenuwdraden die van nature informatie van specifieke lichaamsfuncties transporteren.

De hersenen hebben van nature functiegebieden waar informatie van specifieke functies wordt ontvangen, verwerkt, gecombineerd en verzonden.      

 

De hersengebieden worden onderling verbonden door zenuwbundels. Deze bundels bestaan uit zenuwdraden die met aangelegde vertakkingen verbonden zijn met hersencellen of -gebieden.

De informatie-overdracht van de hersengebieden naar de coördinatiestations en omgekeerd verloopt door zenuwbanen.

De informatieoverdracht vanaf de coördinatiestations naar alle levende lichaamscellen en omgekeerd verloopt door zenuwbundels.

De Hersenen:

De hersenen kunnen globaal in drie gebieden worden verdeeld, de voorhersenen, de middenhersenen en de achterhersenen.

De drie te onderscheiden hersengebieden kunnen elk worden verdeeld in een linker en rechter hemisfeer.

 

DE VOORHERSENEN:

De voorhersenen (prosencephalon) vormen het meest ontwikkelde en grootste gedeelte van de hersenen. De voorhersenen bestaan uit de grote hersenen en uit andere structuren die onder de grote hersenen liggen, zoals de hypofyse en hypothalamus (afscheiden van hormonen), basale kernen (controle van bewegingen) en het limbische systeem (o.a. emotie en geheugen).

De grote hersenen vormen het bovenste gedeelte van de hersenen.

Alle intellectuele activiteiten worden in de grote hersenen gereguleerd.

In de grote hersenen worden herinneringen opgeslagen.

Daarnaast zijn de grote hersenen betrokken bij plannen, de verbeelding en het denken.

Hersenschors:

De buitenste laag van de grote hersenen (en de kleine hersenen) wordt de hersenschors genoemd. Hier wordt informatie uit de rest van het lichaam ontvangen, geanalyseerd en geïnterpreteerd. De hersenschors heeft belangrijke functies met betrekking tot het opslaan en oproepen van informatie (geheugen), het leren, analyseren, ontcijferen van zintuiglijke informatie (sensorische hersenschors) en het opwekken van bewust gewilde reacties (motorische hersenschors). In de hersenschors worden verschillende gedachteprocessen zoals het onderscheidingsvermogen, het beoordelen en het vermogen een verband te leggen tussen verschillende gebeurtenissen (associatieve schors) uitgevoerd. De intentie tot het uitvoeren van handelingen en de bewuste planning vinden eveneens in de hersenschors plaats.

Verschillende gedeelten van de hersenschors hebben belangrijke functies in verband met spraak (spraakcentrum), tast, reuk (auditieve schors), smaak en gezichtsvermogen (optische schors). Deze gedeelten zijn onderling verbonden.

De hersenschors bestaat uit talrijke plooien, ook gyri genoemd. De diepste groeven tussen deze plooien zijn de fissuren en de meer oppervlakkige groeven worden sulci genoemd. Door de plooien is het hersenoppervlak groter dan wanneer de hersenen glad zouden zijn.

De grote hersenen hebben een zeer duidelijke verdeling in linker en rechter hemisfeer (hersenhelft) gekoppeld door de hersenbalk (corpus callosum).

Beide hersenhelften zijn in vier kwabben verdeeld.

Deze kwabben zijn genoemd naar de schedelbeenderen waar ze onder liggen: frontaalkwab (schedelbot: os frontale); pariëtale kwab (schedelbot: os pariëtale); temporaalkwab (schedelbot: os temporale); occipitaalkwab (schedelbot: os occipitale).

Diep binnen elke hersenhelft liggen verschillende groepen kernen die samen de basale ganglia worden genoemd. Zij zijn betrokken bij de controle van bewegingen.

 

Specifieke eigenschappen:

Linker hemisfeer;

Taalgebied sterker ontwikkeld.

Opslaan en coderen van informatie sterker ontwikkeld.

Verbale geheugentaken sterker ontwikkeld.

Taal en logica sterker ontwikkeld.

Mediatie positieve prikkels sterker ontwikkeld.

Taalbegrip sterker ontwikkeld.

Spraak sterker ontwikkeld.

 

Rechter hemisfeer;

Interpretatie van geluid, vormen en expressie sterker ontwikkeld.

Visueel ruimtelijke taken en concentratie sterker ontwikkeld.

Oproepen en reproduceren van informatie sterker ontwikkeld.

Ruimtelijke geheugentaken sterker ontwikkeld.

Begrijpen en inzicht sterker ontwikkeld.

Mediatie negatieve prikkels sterker ontwikkeld.

 

 

Links of rechts:

Het merendeel van de hersenfuncties kunnen door zowel de linker als de rechter hemisfeer worden vervuld. Door evolutionaire ontwikkeling zijn een aantal hersengebieden ontwikkeld tot specifieke of specifiekere taakvervullende gebieden. In de ontwikkeling van embryo tot vol wasdom wordt op basis van genetische informatie, door omstandigheden en toepassing verdere specificering van hersengebieden en informatietrajecten verkregen.       

 

 

DE MIDDENHERSENEN:

De middenhersenen (mesencephalon) bestaan uit het smalle gedeelte dat de voorhersenen scheidt van de achterhersenen (hersenstam en kleine hersenen). In de middenhersenen worden de onwillekeurige reacties van het lichaam (reflexhandelingen) gereguleerd. Ook de bewegingen van het oog worden in de middenhersenen gereguleerd, in samenwerking met andere structuren.

Door de middenhersenen loopt het ‘cerebraal aquaduct’. Zoals de naam al zegt is het een soort waterbrug van de hersenen. Het aquaduct is een structuur die de derde hersenkamer (ventrikel), die erboven ligt, verbindt met de vierde hersenkamer, die eronder ligt. Het hersenvocht stroomt erdoorheen.

De middenhersenen zijn verdeeld in een linker en rechter hemisfeer.

 

 

DE ACHTERHERSENEN:

De achterhersenen bestaan uit het bovenste gedeelte van het ruggenmerg, de hersenstam en uit een kleine bolvormige massa weefsel die wel het cerebellum (de kleine hersenen) wordt genoemd. In de achterhersenen worden belangrijke lichaamsfuncties zoals ademhaling en hartslag gereguleerd. Talrijke zenuwvezels die in een deel van de hersenstam liggen, functioneren als een brug die verschillende onderdelen van de hersenen met elkaar verbindt. Voorbeelden zijn verbindingen tussen het ruggenmerg en de hersenen en tussen de grote en de kleine hersenen. De kleine hersenen zijn het op één na grootste onderdeel van de hersenen en liggen in het achterste en onderste gedeelte van de schedel, onder de grote hersenen. De vorm lijkt op die van een vlinder, met een centraal vernauwd gedeelte en twee ’vleugels’ (hemispherium cerebelli). De buitenste laag van de kleine hersenen wordt, net als bij de grote hersenen, de hersenschors genoemd. De schors van de kleine hersenen speelt een rol bij het handhaven van het evenwicht, de spiertonus (spanning), de coördinatie, de planning van een beweging en het beïnvloeden van emotionele en mentale processen.

De kleine hersenen worden met de hersenstam verbonden door drie gepaarde zenuwbanen, de zogenoemde crus cerebri.

De achterhersenen zijn verdeeld in een linker en rechter hemisfeer.


HEMISFEREN:

De hemisferen van de hersengebieden hebben per hersengebied zowel overeenkomstige functies als specifieke functies. De hemisferen worden door  zenuwbanen met de lichaamscellen en structuren verbonden. Deze zenuwbanen volgen voor het overgrote deel een kruisende route van linker hersenhelft naar rechter lichaamsdeel en van rechter hersenhelft naar linker lichaamsdeel.

Een beperkt aantal zenuwbanen volgt een route links-links of rechts-rechts.

 

HIËRARCHIE:

De hersenen volgen in functioneren een hiërarchische volgorde naar mate van belang voor de instandhouding en functionaliteit van de hersenen en het lichaam.

Levensbedreigende situaties hebben voorrang op minder of niet bedreigende situaties.

 

ZENUWBANEN:

De zenuwbanen volgen een route via de hersenstam en/of het ruggenmerg van en naar alle lichaamsstructuren. De zenuwbundels hiervoor zijn geworteld in de hersenstam en het ruggenmerg. Deze zenuwbundels zijn  altijd bilateraal (tweezijdig) geworteld en het overgrote deel van de zenuwbanen kruisen elkaar.

 

Tijdens de ontwikkeling van het lichaam wordt, met genetische informatie als basis en ontwikkeling en efficiëntie als succesfactoren, de linker of rechter zenuwbundel als voorkeursroute bepaald. Het bepalen van de voorkeursroute vindt plaats tijdens de ontwikkeling van het lichaam en voor de zenuwbundelniveaus in een verschillend stadium van de ontwikkeling. 

Elk zenuwbundelniveau kan verschillen van voorkeursroute links of rechts.

Hierdoor wordt bijvoorbeeld links – of rechtshandig zijn bepaald.

Echter is links- of rechtshandig een te beperkte voorstelling van het functioneren.

Er zijn vijf zenuwbundels die invloed hebben op het functioneren van de arm, hand en vingers. Deze vijf bundels kunnen onderling verschillen in hun voorkeursroute rechts of links.

Hebben alle bundels dezelfde zijde als voorkeursroute dan kan op een eenvoudigere manier een perfecte afstemming worden bereikt van de arm, hand en vinger functies. De beperking van deze situatie is het missen van creatieve reacties van de hersenen doordat slechts de essentiële hersengebieden worden ingeschakeld bij het vormen van een reactie.

Zijn zijdes van de voorkeursroutes verdeeld in links en rechts dan is afstemming moeilijker en zal aanleren en toepassen van functies een langere tijd vergen en nooit de optimale situatie bereiken. Door de wisseling worden andere functies wel mogelijk omdat de zenuwbanen andere en/of meerdere hersengebieden gezamenlijk kunnen laten werken om een reactie te creëren.  

Op deze manier zijn er met vijf zenuwbundels 15 combinaties mogelijk waardoor er 15 zenuwbundel gerelateerde basiseigenschappen kunnen worden onderscheiden in de functie van linker of rechter arm, hand en vingers.

Daarboven komt dan nog de relatie met de zenuwbundels en -banen van zintuiglijke waarneming die een combinatie vormt met het motorisch functioneren of afstellen daarvan en de relatie met de zenuwbundels en –banen voor het intern functioneren van de hersenen en ook nog de relatie met de zenuwbundels en -banen voor het geautomatiseerde systeem van balans en spiertonus.

 

Het principe van voorkeurroute (primaire route) van de zenuwbundels is voor het hele zenuwstelsel van toepassing. Het lichaam kan via de secundaire route ook de hersengebieden bereiken die in één van de hemisferen zijn gesitueerd maar heeft daar een langere en moeilijker bereikbare weg voor nodig.

Hebben de hersenfuncties die in één van de hemisferen zijn gesitueerd als zenuwbanen de primaire routes dan zal deze functie direct bereikbaar zijn. Is de primaire route van die functie echter secundair of gemengd dan zal er een creatieve situatie ontstaan met specifieke mogelijkheden en moeilijkheden. 

 

Ook de interne hersenzenuwbundels en -banen hebben een primaire en secundaire route die links en rechts gekruist lopen. Hierin treed dezelfde situatie op als bij het perifeer (lichaams) zenuwstelsel.

Door de verscheidenheid van combinaties van primaire en secundaire routes zijn de verschillen in denken en functioneren van mensen verklaarbaar en beredenerend te onderscheiden vanuit oorzakelijk uitgangspunt.

Ook bijzondere menselijke eigenschappen zoals (bijzondere) talenten, problemen als lees en schrijfproblemen en stotteren zijn hierdoor beredenerend te verklaren vanuit oorzakelijk uitgangspunt.

 

BEELDDENKEN:

Ieder mens ervaart beelddenken op eigen specifieke wijze. Er is niet een compleet omvattende omschrijving te geven. Belangrijk bij beelddenken lijkt het minder of moeilijker ontwikkelbaar en toepasbaar zijn van talige vaardigheden en het sterker leunen op beeldvormende manier van opnemen, verwerken en toepassen van informatie van alle zintuigen.

 

Doordat er, met de huidige kennis, nog geen duidelijk onderscheid wordt geconstateerd voor grotere groepen mensen is het aannemelijk dat de verschillen geleidelijk zijn verdeeld over de totale bevolking en dat er veel samenstellende mogelijkheden zijn.

Op basis van andere menselijke eigenschappen is het meer dan aannemelijk dat bij statistisch onderzoek een grafiek volgens een Gausch-kromme het verloop zal weergeven voor beelddenkende eigenschappen van mensen.

 

De wetenschappelijke onderbouwing voor beelddenken is te vinden in de informatiebanen van het lichaam. De primaire route voor denkprocessen in de hersenen bepaald welke hersengebieden primair en secundair worden ingeschakeld. De combinatie van routes en hersengebieden zijn zo enorm complex en groot in aantal dat ieder mens daarin verschillend is. Toch zijn er hoofdlijnen te ontdekken. De hoofdlijn bij beelddenken is dat primaire routes van zintuiglijke opnameprocessen en denkprocessen voor talige functies, deels of geheel, niet via talige gebieden van de hersenen in de ene hemisfeer lopen maar via de gebieden in de andere hemisfeer. Hierin is de variatie mogelijk van meer of minder routes die primair naar die andere hemisfeer leiden.

Om het talige gebied in de hersenen te bereiken en toe te passen wordt een omweg of alternatieve route gevolgd in de hersenen. Hierdoor is het talig vermogen beperkter, maar het creatieve vermogen groter dan zonder die omweg of alternatieve route.     

Zodra er bepaalde of voldoende primaire routes via het talige gebied lopen wordt dat talige gebied kenmerkender voor de persoonlijke eigenschappen.

Leiden alle primaire routes voor talige processen via de primaire talige gebieden in de ene hemisfeer dan is er sprake van een optimale toepassingsmogelijkheid van talige talenten.

Het is mogelijk om secundaire routes, omwegen en alternatieve routes te verbeteren door oefening en ontwikkeling. Echter nooit tot op het niveau van de primaire routes.

Het grote voordeel van het toepassen van secundaire routes, omwegen en alternatieve routes is de aanmerkelijke verruiming van mogelijkheden en combinaties, zijnde creativiteit en het voor handen hebben van alternatieven bij calamiteiten.

 

 

CONCLUSIE:

Beelddenken is een basis eigenschap van mensen.

Het is de natuurlijke vorm van opnemen, verwerken en toepassen van zintuiglijke waarnemingen.

Beelddenken doet iedereen. De mate waarin en de manier waarop wordt bepaald door de persoonlijke eigenschappen en de aanleg en ontwikkeling van lichaamsprocessen. Beelddenkende eigenschappen vinden hun basis in genetische informatie en worden onder invloed van ontwikkelings-omstandigheden in meer of mindere mate toepasbaar in het menselijk functioneren.

 

Begripsdenken ook wel talig denken is een geëvolueerd menselijk vermogen dat is voortgekomen uit het beelddenken. Dit is een rede waardoor het talige gebied in de hersenen in één hemisfeer van de grote hersenen is ontwikkeld. Zonder beeldenken biedt talig denken géén overlevingskans voor de mens als soort.

Het is onduidelijk in welk ontwikkelingsstadium de hersenen zich bevinden.

Een mogelijkheid is dat de hersenen doorontwikkelen met aan twee zijden een talig gebied. Een andere mogelijkheid is dat de hersenen succesvollere aanlegroutes vormen voor het inschakelen van het talige gebied. Ook kan het zijn dat het succes van talige eigenschappen worden overstegen door nieuw te vormen menselijke eigenschappen. Het kan zelfs zo zijn dat de omstandigheden en de situatie aanleiding geeft voor verval van het talige gebied. Bedenk zo nog vele andere mogelijkheden, de omstandigheden zijn van invloed op de ontwikkeling en de mensheid kan de omstandigheden beïnvloeden.        

 

 

TOT SLOT:

Met deze visie is beelddenken niet wetenschappelijk aangetoond.

Het verkrijgen van inzicht in de werking van het menselijk brein, zenuwstelsel en het functioneren van zintuigen is van essentieel belang voor het doorgronden van  ontwikkeling, gedrag en (samen)leven van mensen.

Alleen dit inzicht biedt de mogelijkheid om “verstandig” te leven.

Verstand is alleen mensen gegeven, laten we het gebruiken om elkaar te begrijpen en om begrepen te worden!

 

11 maart 2009

Kees Goossens.

DE PRIMAIRE ROUTE THEORIE

 

Deze tekst is auteursrechtelijk beschermd en mag zonder uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van de auteur niet geheel of gedeeltelijk worden gebruikt voor reproductie op welke wijze dan ook.

 

“De Primaire Route Theorie”

 

 

De Primaire Route Theorie, door Kees Goossens.

 

Stelling:         Elk bilateraal zenuwbaanpaar heeft per paar een meer efficiënte en minder efficiënte route. De meer efficiënte route wordt per zenuwbaanpaar op basis van genetische informatie en aan de hand van ontwikkeling en succesvolle toepassing naar mate van volgroeiing van de persoon bepaald.

 

Gevolg van deze stelling:

In deze stelling wordt uitgegaan van “dominantie”bepaling in bilaterale zenuwparen i.p.v. in linker- of rechterhemisfeer.

“Dominant”is niet het juiste woord om het functionele begrip te omschrijven. Beter past hier “voorkeurbaan” of “primaire baan”.

Wel worden de functionele resultaten van lichamelijk handelen door de mens als “dominant” ervaren zoals links- of rechtshandig schrijven.

 

Door deze stelling wordt een ander inzicht verkregen in het menselijk functioneren en kunnen opmerkelijk veel beperkingen of storingen in dat functioneren worden verklaard. Vanuit die verklaring en met dit inzicht is het ook zeer aannemelijk dat betere en efficiëntere verander en verbeter methoden kunnen worden ontwikkeld. 

 

Het is zelfs zo dat deze stelling een geheel ander licht werpt op het menselijk denken en functioneren omdat ook de hersenzenuwen en de integrale zenuwen van de hersenen op deze manier onafhankelijk van elkaar kunnen variëren in primaire en secundaire route. Door deze verschillende mogelijkheden wordt de denkstructuur van mensen afhankelijk van de primaire en secundaire toepassing van externe en integrale zenuwbanen van de hersenen waardoor de linker en rechter hemisfeer met hun specifieke en overeenkomstige eigenschappen op verschillende manieren toepassing vinden in functie- en denkprocessen.

 

 

 

Bedenering:

Het verschil in primaire en secundaire route van de zenuwbanen is een fractioneel tijdverschil in het bereiken van het hersengebied waar de informatie wordt ontvangen. Wanneer twee of meerdere zenuwbanen van verschillende bilaterale zenuwparen onderling verschillen in primaire route links of rechts kunnen de hersenen in een conflictsituatie komen.

Hiervoor zal door de hersenen een zo goed mogelijke oplossing worden gezocht. Voor veel situaties wordt door de hersenen een oplossing gevonden in een alternatieve route naar het hersengebied waar de functie kan worden verwerkt. Dit heeft een bepaalde tijd nodig maar eenmaal functioneel dan kan de route als alternatief functioneren, echter nooit in de snelheid waarmee de meest korte route zou functioneren. Voordeel van een alternatieve route kan wel zijn dat er meer informatiecombinaties mogelijk zijn.

Voor conflictsituaties kan de persoon in kwestie ook zelf een bijdrage leveren aan een oplossing door bewuste training en oefening van de secundaire route van een zenuwbaanpaar. Hierdoor wordt ook een oplossing gecreëerd die niet het meest efficiënt zal zijn maar wel verbetering kan bieden voor de situatie.

 

Voorbeelden van conflictsituaties van vorenstaande zijn:

Coördinatieproblemen van ogen en zien, horen en spraak.

Halfzijdige verlamming, met functieovername van de andere lichaamshelft. 

Motoriek bij slecht handschrift.

Herstelprocessen na herseninfarct of afasie.

Herstelprocessen na verlamming.

 

Bij verschil in primaire route van verschillende zenuwbaanparen kan ook een situatie optreden die lichamelijk niet direct tot conflictsituatie leidt maar die door maatschappelijke levensomstandigheden als minder efficiënt wordt ervaren. Deze situatie wordt door de persoon in kwestie door lering en ervaring praktisch toepasbaar gemaakt en eventueel door training veranderd of verbeterd. Het zal dan wel altijd een aangepaste situatie blijven bestaan t.o.v. het maatschappelijk gebruikelijke.

Dit kan voordelig zijn maar is vaker nadelig voor de persoon in kwestie.

 

Voorbeelden van bovenstaande situaties zijn:

Linkshandigheid.

Linksbenigheid.

Taalvaardigheid.

  

 

Bijzondere talenten:

Met de theorie van primaire route kunnen bijzondere talenten worden verklaard door de specifieke samenstelling van primaire routes van de verschillende zenuwbanen.

Door de gunstige samenstelling van primaire routes is het voor een persoon mogelijk om bepaalde genetisch aangelegde mogelijkheden op bijzondere wijze te ontwikkelen en toe te passen.

 

Bijzondere kenmerken:

Er zijn veel mensen met lichamelijk en geestelijk afwijkende eigenschappen.

Voor diverse symptomen van die afwijkende eigenschappen biedt de “Primaire Route Theorie” interessante mogelijkheden voor het verbeteren of veranderen van de situatie.  

 

 

Onderbouwing: 

De door de Luxemburgse k.n.o. arts Dr. Tomatis ontwikkelde theorie (gepubliceerd in 1972) van cerebrale dominantie is een beperkte voorloper van de “Primaire Route Theorie”.

 

Dr. Tomatis gaat in zijn visie uit van dominantie van de hemisferen en beredeneerde dat het wenselijk was een auditief dominante linker hemisfeer ofwel het bevorderen van een laterale verbinding naar de linkerhemisfeer, na te streven. Hierdoor is zijn theorie en zijn de door hem ontwikkelde verbetermethoden voor de door hem beschreven problematiek slechts voor een beperkt deel van zijn doelgroep toepasbaar gebleken. Ondanks dat boekt het door hem opgerichte instituut tot op de dag van vandaag nog opmerkelijke en goede resultaten.

 

De door Dr. Tomatis bewezen “dominantie” van het gehoor links of rechts is een uitbreiding op de links-rechts “dominantie” van arm been en oog.

De “Primaire Route Theorie” breidt de wisselende links – rechts mogelijkheid uit tot alle  bilaterale informatiebanen, zowel extern als integraal met de hersenen.

 

 

Kees Goossens

09 maart 2009

 

 

ALLERGIE

 

ALLERGIE

Begrijpen en begrepen worden.

 

Wat is allergie?

Allergie is niets meer of minder dan een reactie van het menselijk lichaam op een stof of een ervaring.

 

Wat gebeurt er bij allergie?

De hersenen ontvangen een signaal dat onbekend is of wel herkend wordt maar waarvoor nog géén afdoende reactie is ontwikkeld. Om te kunnen reageren op zo`n signaal worden door de hersenen stoffen gemaakt en/of maatregelen getroffen om het probleem / gevaar zoveel mogelijk te beperken en waar mogelijk te pareren en het lichaam te herstellen.

 

Allergie is de lichamelijke reactie, ingegeven door de hersenen, waarbij het de hersenen (nog) niet lukt om afdoende te reageren.

 

Waar komt allergie vandaan?

De menselijke genen bevatten historische informatie. Bij de embryonale ontwikkeling wordt de informatie gebruikt om te kunnen reageren op voor het embryo onbekende signalen. Hierdoor worden reacties ontwikkeld die al of niet afdoende zijn om het signaal te beantwoorden.

 

Door de snelle ontwikkeling vanaf de industriële revolutie en de toepassing van veel stoffen met nieuwe samenstellingen wordt het menselijk lichaam blootgesteld aan onvoorstelbaar veel nieuwe ervaringen en stoffen.

Daarnaast heeft een explosieve bevolkingsgroei de globale samenleving aanmerkelijk veranderd. Mensen moeten anders samenleven en gaan andere voedingspatronen en stoffen gebruiken.

 

Al deze veranderingen brengen nieuwe ervaringen, problemen en gevaren met zich mee. Het orgaan dat al deze zaken dient te verwerken is “de hersenen”.

Door de ontwikkelingen en veranderingen in de laatste 150 jaar is er een enorme belasting op de hersenen om het lichaam in stand te houden en te overleven.

De hersenen reageren op alle signalen, maar de snelheid van de nieuwe signalen is zo groot dat (nog) niet voor alle signalen een afdoende oplossing is gevonden.

De hersenen lopen (nog) niet in de pas met de snelheid van de ontwikkelingen.

Daarom worden door de hersenen vaker noodvoorzieningen getroffen om de schade te beperken. Deze noodvoorzieningen uiten zich in bijvoorbeeld allergieën.

Allergieën kunnen van voorbijgaande aard zijn (het populaire gezegde:”er overheen groeien”.) en kunnen ook blijvend zijn in een mensenleven.

Bij de erfelijke overdracht wordt eventueel alleen de genetische beperking van het niet vinden van een afdoende reactie overgedragen. Deze beperking kan  worden opgeheven door het genetisch materiaal van de andere ouder.

  

Behandeling:

Met behandeling kunnen de symptomen van de reacties worden bestreden. Door toediening van bepaalde stoffen kunnen de reacties worden beïnvloed. Echter genezing van de oorzaak is (vooralsnog) alleen mogelijk door de hersenen.

 

Het is begrijpelijk dat mensen last en leed proberen te voorkomen of te verminderen. Toch zou het in veel gevallen zinvol zijn om terughoudend te zijn met bestrijding van de symptomen omdat de hersenen bij dergelijke behandeling ook signalen van de bestrijding ontvangen waardoor de reactie van de hersenen wordt beïnvloed. Bij herhaling van de problematiek zal een minder efficiënte reactie van het lichaam het gevolg kunnen zijn en ook een minder effectieve werking van de behandeling omdat de hersenen hiertegen ook reacties hebben ontwikkeld.

Zinvol zou het kunnen zijn om op korte termijn en voor zover menselijk, de last en het leed te verdragen.

Voor lange termijn is onderzoek op basis van deze zienswijze nodig. Vanuit deze zienswijze kunnen oorzaken en gevolgen duidelijk worden gemaakt. Vanuit die duidelijkheid is een betere behandeling op lange termijn logisch.

 

Deze zienswijze geldt overigens ook voor alle mogelijke andere lichamelijke aandoeningen.

 

20 februari 2009,

 

Kees Goossens.

DOMINANTIE EN RANGORDE

 

DOMINANTIE EN RANGORDE.

Begrijpen en begrepen worden.

 

 

DOMINANTIE:

Dominantie is te onderscheiden in verschillende vormen. Echter de “Natuurlijke Dominantie” is een belangrijke basisvorm. Alle andere vormen van dominantie zijn ondergeschikt aan de natuurlijke dominantie.

Natuurlijke dominantie is de vorm die wordt bepaald door de persoonlijke eigenschappen die als basis de genetische informatie hebben en daaropvolgend door ontwikkeling praktisch toepasbaar worden.

Deze dominantie is niet aan te leren zonder de specifieke genetische informatie te bezitten.

In iedere vorm van onderling contact zal deze dominantie onderliggend bepalend zijn voor het verloop van dat contact en het vervolg daarop.   

 

De natuurlijke dominantie is een zéér belangrijke eigenschap voor de kansen op voortbestaan van een soort in de natuur.

Natuurlijke dominantie heeft ook nadelen. Tijdens de ontwikkeling (het opgroeien) is de mate van dominantie in de persoon besloten en is een ontwikkeling gaande. Doordat de mate van dominantie bij de opgroeiende persoon verschilt van de meer volwassen en ervaren persoon zal een (on)bewuste competitie plaatsvinden in het veroveren of behouden van een plaats in de hiërarchie.

Tijdens de jeugdige ontwikkeling leidt deze strijd vaak tot frustratie en problemen. Omdat de jeugdige persoon wel de natuurlijke dominantie bezit maar nog niet voldoende ontwikkeling heeft doorgemaakt om deze ook af te dwingen ontstaat er onvrede met de situatie die zich op allerlei manieren kan uiten, van kleine tics tot grote gedragsproblemen.

 

Een andere vorm van dominantie is de “Culturele Dominantie”. Dit is dominantie verworven door opleiding, familie historie of andere eigenschappen waaraan status in de samenleving wordt gehecht.

Deze cultuur dominantie blijft altijd ondergeschikt aan de natuurlijke dominantie.

Cultuur dominantie is een specifieke eigenschap van mensen. Andere levende organismen kennen deze vorm van dominantie niet. 

 

Met cultuur dominantie is het voor mensen mogelijk om natuurlijke dominantie te pareren maar onmogelijk om deze te overwinnen. Door te pareren wordt een spanning opgebouwd tussen deze twee dominantievormen. Hierdoor ontstaan sociale en maatschappelijke situaties die onevenwichtig zijn en problemen veroorzaken. Ook ontstaan hierdoor persoonlijke situaties die leiden tot geestelijke en fysieke problemen.   

 

Positief of negatief?

Met deze verklaring van dominantie wordt niet beweerd dat één van de vormen beter is dan de andere. Beide vormen kunnen zowel positief als negatief worden toegepast. Wel is af te leiden uit de rangorde van de dominantievormen dat de natuurlijke dominantie de grondslag is van alle andere vormen. Hierdoor is het van groot belang om die dominantie goed te doorgronden om de effecten van vervolgvormen te kunnen begrijpen, voorspellen en te beïnvloeden.

 

 

RANGORDE:

Rangorde is de volgorde waarin personen in groepsverband functioneren.

Deze volgorde wordt door een combinatie van dominantievormen bepaald en kan in verschillende situaties anders zijn. De situatie die in de samenleving, waardoor de ordening wordt beïnvloed, als belangrijkste wordt ondervonden zal voor de volgorde het meest bepalend zijn.

In de ordening is een continue competitie aanwezig tot veroveren of behouden van een positie.

In deze competitie en in de ordening zal op de plaatsen waar de ondergeschikte dominantievorm een slag wint de hogere dominantievorm tot frustratie en problemen leiden. Een slag winnen is nog géén overwinning maar brengt wel een vorm van schade toe. Afhankelijk van de persoonlijke ontwikkeling en capaciteiten kan iemand de slag te boven komen en sterker een nieuwe competitie aangaan of de slag niet te boven komen en een voortdurende frustratie ervaren. Een mens heeft ook de eigenschap om te gaan onderpresteren en zich aangepast-prettig voelen in de opgelegde positie.    

 

Naar mijn bescheiden mening is uitvoerig onderzoek naar de rol van dominantie in de samenleving een noodzaak om tot beter inzicht te komen van grote en kleine probleemvraagstukken.

 

13 februari 2009

 

Kees Goossens.

PROCEDURES VAN HET BREIN

 

PROCEDURES VAN HET BREIN.

Begrijpen en begrepen worden.

 

 

OPNAME-, VERWERKINGS-, DENK- en TOEPASSINGSPROCESSEN en de BESTURINGGSCODE.

 

OPNAMEPROCESSEN:

LICHAMELIJK

De procedures voor lichamelijke ontwikkeling, instandhouding en voortplanting (dus leven, overleven en voortleven) zijn er op gericht om het lichaam in gegeven omstandigheden zo goed mogelijk te laten functioneren. Voor de meest negatieve invloeden (levensbedreigende) tot de meest positieve invloeden zijn processen in het lichaam aanwezig. Er is altijd een combinatie van een aantal processen actief. Al deze processen worden gestuurd en gecoördineerd door het brein.

 

OPNAME

De procedures voor opname van informatie zijn te onderscheiden in twee hoofdgroepen. De “geautomatiseerde” registratie van het lichaam. Zoals tekorten of dreigende tekorten aan benodigde stoffen in het lichaam of tekortkomingen of calamiteiten van het lichaam. De andere groep is de registratie van zintuiglijke waarnemingen.

De registratie van tekorten wordt veroorzaakt door lichaamscellen die (alarmerende) signalen veroorzaken, middels neurotransmitters uit het neuron in de zenuwbanen, bij tekorten of andere problemen. Zolang er  beperkte hoeveelheid neurotransmitter vrij komt zal het signaal niet leiden tot een pijnwaarneming. Hogere concentraties leiden tot pijnervaring.

De registratie van zintuiglijke waarneming wordt veroorzaakt door de functionele mechanismen van de zintuigen, zijnde; zien, voelen, horen, ruiken en proeven. De signalen worden eveneens middels neurotransmitters uit het neuron in de zenuwbanen overgebracht naar het brein.

Voor het zintuig voelen is zowel inwendig als uitwendig registratie van prikkels.

Zowel de inwendige als uitwendige prikkels kunnen van uiterst positief tot uiterst negatief zijn.

 

De basis van de informatieopname is voor ieder mens hetzelfde. De informatie wordt opgenomen in het korte termijngeheugen. Van daaruit wordt de informatie getransformeerd naar het lange termijngeheugen. Door herhaling van de informatie-invoer wordt de vastlegging in het lange termijngeheugen versterkt. Verdere herhaling van de informatie-invoer leidt tot een vorm van automatisering, langdurig uitblijven van informatie-invoer leidt tot vervaging en beperking van de toepasbaarheid van de informatie. Hernieuwde invoer van informatie na lange onderbreking daarvan leidt tot versnelde toepasbaarheid.

Er treden aanmerkelijke verschillen op in de mate waarin de opname gebeurt en de combinaties van de verschillende waarnemingen. Dit heeft een oorsprong in genetische informatie en is daarna afhankelijk van de ontwikkeling en instandhouding van het brein, het lichaam en verworven vaardigheden.

Hierbij is ook de BESTURINGSCODE van het individu van belang.

 

VERWERKINGSPROCESSEN:

Alle informatie die door het lichaam wordt geregistreerd wordt naar het brein gezonden. In het brein wordt deze informatie geordend en krijgt een plaats in het geheugen waar het, tijdelijk, voor verdere verwerking kan worden opgeslagen. Verwerkte informatie wordt voor langere tijd opgeslagen in geheugengebied waar het, naar mate van succesvolle toepassing of bruikbaarheid wordt behouden. Alle processen volgen oorspronkelijk dit traject. Dit traject vindt de oorsprong direct na het embryonale stadium. Het is het eerste mechanisme dat wordt gevormd op het moment dat stamcellen zich specificeren en de vrucht zich gaat vormen.

Vanaf dat moment treedt een trainingsproces in werking voor lichaamscellen, zowel individueel als collectief. De training heeft automatisme tot doel. Dit automatisme wordt verkregen door informatie-uitwisseling tussen de cellen en het brein. Het brein past actie aan op de informatie die wordt verkregen van de cellen. Veranderd de informatie vanuit de cellen nagenoeg niet meer dan wordt deze definitiever in het brein vastgelegd en als automatisme toepasbaar. Hiervoor heeft het brein aanzienlijk minder energie nodig dan in een fase van ontwikkeling, aanpassing of herstel. Het vrucht-stadium is een ontwikkel- en inregelfase van het lichaam om tot zelfstandig leven in staat te zijn.

De geboorte van een kind is een abrupte overgang van afhankelijk naar onafhankelijk leven. De geautomatiseerde functies voor leven zijn dan voldoende krachtig om leven mogelijk te maken. Gedurende het leven zullen deze functies verder worden versterkt en aangepast aan de levensomstandigheden.

 

Vanaf de geboorte is de mens in staat om zelfstandig te leven. Echter is er nog een afhankelijkheid om te overleven.

Voor de overleving is een mens afhankelijk van verzorging van andere mensen.

Deze verzorging is zowel op lichamelijk als geestelijk gebied noodzakelijk om tot zelfstandig en onafhankelijk overleven te kunnen ontwikkelen.  

Afhankelijk van de persoonlijke ontwikkeling kan een mens eerder of later in het leven zelfstandig overleven.

 

 

 

De laatste behoefte is het voortleven (voortplanten).

De mens is hiervoor afhankelijk van andere mensen en specifiek ook nog van andere sekse. Vanaf de embryonale fase bij het specificeren door de stamcellen wordt door de genetische informatie de sekse-eigen ontwikkeling gestart.

Deze ontwikkeling heeft een duidelijke fysieke overgangsfase bij het geslachtsrijp worden. Mentaal vindt een geleidelijke overgang plaats van kind naar volwassene waarin wordt geleerd om te overleven en voort te leven.

Bij dit alles is het doel van de natuur om een zo stabiel mogelijke situatie te vormen met een zo hoog mogelijke natuurlijke kwaliteit met daardoor een zo groot mogelijke overlevings- en voortplantingskans.

Om dit natuurlijke doel te bereiken is de mogelijkheid van aanpassing in genetische informatie noodzakelijk. Hierdoor kunnen veranderingen en ontwikkelingen worden doorgegeven aan volgende generaties met behoud van informatie van vorige generaties. Op deze manier kunnen succesvolle eigenschappen worden versterkt en falende eigenschappen verzwakt.

 

Alle verwerkingsprocessen zijn afgestemd op deze natuurlijke doelen en worden beïnvloed door de informatie die het brein bereikt.

Ook hierbij is de BESTURINGSCODE van een individu van belang.

 

DENKPROCESSEN:

Denkprocessen zijn bepalend voor de reactie op informatie-invoer en verwerking.

Denkprocessen zijn te classificeren van volledig onbewust tot volledig bewust.

Volledig onbewuste denkprocessen functioneren zonder bewuste inbreng van het individu.

Volledig bewuste denkprocessen functioneren slechts door inbreng van het individu.  

Alle mogelijke tussenclassificaties kunnen ook voorkomen.

Het woord “DENK” wordt hier beter vervangen worden door “LOGICA” .

Dus vanaf hier “LOGICAPROCESSEN”.

De logicaprocessen hebben tot doel, mogelijke reacties te vinden op de door de informatie-invoer aangestuurde situatie.

De processen bestaan uit het combineren en vergelijken van alle beschikbare informatie om tot zo logisch mogelijke reacties te komen.

De snelheid waarmee het brein deze processen uitvoert hangt af van het vermogen en de interne coördinatie van het brein, de kwalitatieve staat van het brein, de ontwikkeling en de instandhouding van het brein en de besturingscode van het brein.   

Het brein maakt een urgentie volgorde met als hoogste prioriteit, het essentiële functioneren van het brein zo lang mogelijk waarborgen.

In de logicaprocessen is de besturingscode van het individu ook een belangrijk gegeven.

 

BESTURINGSCODE.

Deze code wordt bepaald door de informatieverbindingen tussen het brein en de lichaamscellen en tussen de hersencellen onderling.   

De code kan in twee delen worden gesplitst; de linker- en de rechter hemisfeer. De linker hemisfeer heeft een directe verbinding met de motoriek in de rechter lichaamshelft. De rechter hemisfeer heeft een directe verbinding met de motoriek in de linker lichaamshelft. De informatieverbindingen tussen de lichaamscellen en het brein volgen de weg van de minste weerstand, anders gezegd: de weg waar informatie het snelst wordt doorgegeven. 

Op basis van de genetische informatie en de ontwikkeling van het brein is dit voor alle lichaamsfuncties al vanaf het embryonale stadium van toepassing. Vanaf het moment dat de stamcellen zich gaan specificeren wordt dit principe gevolgd. Op basis van het ontwikkelingsverloop vanaf embryo naar volgroeide vrucht, tot in de eerste levensjaren zijn de routes nog niet definitief als voorkeurroute bepaald in de hemisferen. Naarmate de route betere resultaten oplevert voor het brein worden de verbindingen definitiever. De definitieve voorkeursroute komt voort uit een proces van herhaling van succesvol functioneren. Uiteindelijk is de voorkeursroute onuitwisbaar vastgelegd in het brein. Dit betekent niet dat door training een andere route niet mogelijk zou zijn. Het brein blijft mogelijkheden houden om andere routes te gebruiken. Het primaire automatisme blijft gehandhaafd via de voorkeursroutes, secundair kan een mens, door fysieke en/of mentale training en oefening, afwijken van die voorkeursroutes.

 

Vrije motorische besturingscode:

Motorisch heeft een mens voorkeuren ontwikkeld in het gebruik van lichaamsdelen. Alle mogelijke combinaties en gradaties zijn daarin mogelijk,

van totaal links- tot totaal rechts gecoördineerd.

De te onderscheiden motorische bewegingen zijn gerelateerd aan het aantal aan te sturen spierstructuren. Iedere spierstructuur heeft via de zenuwbaan een eigen verbinding met het brein. Zo heeft iedere spierstructuur een eigen voorkeur in verbindingsroute naar de primaire hemisfeer en een alternatieve verbinding naar de secundaire hemisfeer. Daarnaast heeft het brein de mogelijkheid in zich om de twee hemisferen gecoördineerd te laten samenwerken of onafhankelijk van elkaar te laten werken.

Door al deze mogelijkheden is het primair en secundair aansturingschema van een mens een complex geheel.

 

Uitgaande van een verdeling in grove en fijne motoriek is er sprake van links- of rechtshandig, links- of rechtsbenig, linker- of rechter leidend oog.

Deze verdeling is zéér beperkt en niet voldoende om een begrijpbaar en verklaarbaar geheel van de motoriek te vormen.

Een uitgebreid schema van alle spierbundels met hun primaire en secundaire hemisfeer een hun motorieke functie en vaardigheden geeft een begrijpbaar en verklaarbaar totaalbeeld van het motorisch functioneren van een individu.

Het motorische schema leidt tot nieuw inzicht in alle motorische vaardigheden. Verklaringen waarom mensen in mindere of meerdere mate in staat zijn tot een leesbaar handschrift, verschillen in evenwichtgevoel, reactievermogens en vaardigheden zitten deels besloten in de besturingscode van een individu. 

 

Geautomatiseerde besturingscode:

Een groot aantal lichaamsdelen heeft een “geautomatiseerde” verbinding met het brein. Deze verbindingen hebben eveneens een voorkeursroute naar hun primaire hemisfeer en een alternatief naar hun secundaire hemisfeer. Daarnaast is er voor een aantal vitale lichaamsfuncties een privéroute naar een privégebied in het brein om deze functies te kunnen selecteren bij calamiteiten.   

De “geautomatiseerde besturing” komt voort uit het ontwikkel- en inregeltraject.

 

 

25 januari 2009,

 

Kees Goossens.

STEL JE VOOR - STEL JE SAMEN

 

STEL JE VOOR – STEL JE SAMEN.

Begrijpen en begrepen worden.

 

STEL JE SAMEN

Mensen zijn een complexe samenstelling van eigenschappen en ontwikkeling.

Om inzicht te verkrijgen in die complexiteit is het mogelijk om een selectie te maken van de meest belangrijke eigenschappen. Zodoende kan een profiel worden samengesteld waarvan je persoonlijkheid kan worden afgeleid. Ook oorzaken en gevolgen van persoonlijke kenmerken kunnen worden gevonden in het persoonlijk profiel. 

 

DE SAMENSTELLING

De drie essentiële peilers van het gebruik van het menselijk brein zijn; GENETISCHE INFORMATIE, VERMOGEN en OPNAME-, DENK-, VERWERKINGS- en TOEPASSINGSPROCESSEN.

De anatomische peiler van het menselijk brein is: De BESTURINGSCODE.

 

Naast deze peilers heeft het menselijk brein ook een bepalende functie in het ontwikkelen, herstellen en in standhouden van het lichaam. Deze functie is noodzakelijk voor de ontwikkeling en instandhouding van het brein.

 

ITEMS VOOR HET BREIN

GENETISCH

          Erfelijk bepaalde eigenschappen die in de loop van het leven slechts beperkt wijzigen.

                   Maximaal te ontwikkelen vermogen

                   Systeem en vorming van functioneringsprocessen

Effectief anatomisch systeem. (zuurstof, voedingsstof, afweer)

                   Scala aan toepasbare / ontwikkelbare basiselementen

                   Flexibiliteit van de individuele genen

                   Ontwikkelingsvermogen van de individuele genen

                  

VERMOGEN

Het ontwikkelde toepasbare vermogen van het brein dat in de loop van het volwassen leven slechts beperkt groter kan worden. 

                   Ruimtelijke intelligentie test

                   Figurale intelligentietest

                   Intuïtieve intelligentietest

                   Logische intelligentietest

                   Analytische intelligentietest

                   Synthese intelligentietest

                   Complexiteit intelligentietest

 

          PROCESSEN

De manier waarop het brein informatie opneemt, verwerkt en toepasbaar maakt en welke slechts in beperkte mate veranderen gedurende het leven.

                   Figurale / Lectorale denktest

                   Zintuiglijke processen

                   Redenerend / Documenterend

                   Overzicht / Detail perceptie

                   Creatief / Instructief

                   Ruimtelijk (3d)/ Vlak (2d)

                   Conceptueel / Structureel

                   Pragmatisch / Bureaucratisch

                   Laatbloeiend / Vroegbloeiend

                   Rust / Actie

                  

         BESTURINGSCODE

          De code waarmee de besturing, door het brein, van het lichaam en de functies van het brein wordt gerealiseerd.

Alle functies in en van het lichaam worden primair aangestuurd vanuit het brein. Echter vanuit een te onderscheiden dominantie in de hersenen van uiterst links tot uiterst rechts. Daarbij zijn alle tussenliggende combinaties mogelijk.

          Er zijn onvoorstelbaar veel functies te benoemen. Een selectie van belangrijke functies is noodzakelijk om overzicht te houden.

 

FUNCTIES

Motoriek; automatische / grove / middel / fijne.

                   Zintuiglijke; zien, voelen, horen, ruiken en proeven.

                   Reactioneel; lachen, huilen, geur, smaak, expressie, geluid, aanraken, verkleuren, verkrampen, verstarren, verslappen, defensief, offensief.

Bewuste coördinatie van lichaamsdelen; vinger,hand, arm, schouder, borst, buik, rug, teen, voet, been, heup, bil, nek, hoofd, oor, neus, kaak, oog, lip, ooglid, wenkbrauw, tong, stem, slokdarm, blaas, anus. 

                  Receptie van, en reactie op, zintuiglijke waarnemingen.

                  

 

19 januari 2009,

 

Kees Goossens.

 

 

 

  

 

 

 

 

     

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

   

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

DE PYRAMIDES VAN DE MENS

DE PYRAMIDES VAN DE MENS.

Begrijpen en begrepen worden.

 

 

HET BREIN.

Inzicht in de hier gestelde uitgangspunten zijn noodzakelijk om tot een, voor de huidige mensheid, utopisch totaalbegrip te kunnen komen van het menselijk begrip en de werking van de natuur.

 

Het brein is ondergeschikt aan de algehele natuur,  eenvoudigweg omdat het brein de natuur nodig heeft om te kunnen bestaan.

Alles wat wij denken (verwerken) en doen (reageren) wordt gestuurd door onze hersenen, ons individuele brein.

Er is géén enkel ander orgaan of mechanisme dat een bijdrage levert aan dat denken (verwerken) en die besturing.

Het brein wordt wel beïnvloed door energieën uit stoffen en uit stralingen (trillingen). Het brein zal daardoor anders kunnen verwerken en sturen dan zonder deze beïnvloedingen maar alleen het brein blijft de sturende factor.

 

Bovennatuurlijke krachten, fenomenen en zesde zintuigen bestaan niet. Alles wat wij aan dergelijke krachten en fenomenen toedichten komt voort uit onwetendheid, onbekendheid en onbegrip van oorzaak, proces, situatie en gevolgen van gebeurtenissen en ons tekort aan kennis van de natuur.

 

Er bestaan géén goden en zelfs niet één god. Alles wat wij aan goden toedichten komt voort uit onwetendheid, onbekendheid en onbegrip van oorzaak, proces, situatie en gevolgen van gebeurtenissen en ons tekort aan kennis van de natuur.

 

Alles wat een mens denkt en doet, komt voort uit het eigen brein.

Het brein heeft basisdata, ervaringsdata en ontwikkelingsdata om tot een gedachte en een reactie te komen.  

 

Het bestaan van het brein:

Het menselijk lichaam is de machine en het gereedschap ter ondersteuning van het brein. Het brein op zich heeft géén overlevingskansen. Hierdoor is een twee-eenheid nodig van het brein en het lichaam. 

De eerste voorwaarde is “leven”. Hiervoor is energie nodig. Deze energie wordt door het lichaam geproduceerd en beschikbaar gesteld aan het brein.

De tweede voorwaarde is “overleven”. Hiervoor is bescherming nodig.

Deze bescherming wordt door het lichaam geboden middels fysieke eigenschappen welke zich, vanuit het brein, vormen door bedreigingen.

De derde voorwaarde is “voortleven”. Hiervoor is informatie-overdracht nodig. Deze informatie verzorgt het brein middels essentiële up-to-date-data in elke voortplantingscel.

 

Deze drie voorwaarden zijn basisvoorwaarden. Alle andere te bedenken voorwaarden zijn randvoorwaarden. Die randvoorwaarden kunnen van invloed zijn op de basisvoorwaarden maar zijn niet essentieel.

De situatiefactoren bepalen of de randvoorwaarden nodig zijn of niet. De basisvoorwaarden zijn ten alle tijden nodig.

 

 

 

DE NATUUR.

De natuur is de basis van alle elementen.

De natuur leidt naar “de” utopische optimale situatie van al die elementen.

De natuur is de energie van al die elementen.

Al die elementen willen in hun optimale situatie verkeren.

In die optimale situatie is het element zonder spanning en bedreiging.

Eén, twee of meer dezelfde elementen blijven in een optimale situatie.

Verschillende elementen in welke samenstelling dan ook veroorzaken verandering, spanning en/of bedreiging.

 

De elementen:

De eerste voorwaarde is “bestaan”. De elementen bestaan uit moleculen. Iedere soort element in een specifieke vorm en samenstelling. De moleculen zijn een  samenstelling van atomen die op hun beurt weer kunnen bestaan uit protonen, neutronen en elektronen. Daarnaast bestaan er ionen die zich kunnen binden met atomen waardoor er verandering van de molecule ontstaat.

Mogelijk is dat de elementen op hun beurt ondergeschikt zijn aan een situatie waarin alle protonen, neutronen, elektronen en ionen opgesplitst zijn.

 

De gemeenschappelijke factor van alle natuurlijke processen is energie.

In de situatie waarin alle materie gelijk is, gelijke energie bezit en gelijk verdeeld is in de ruimte is er een totaal evenwicht en een optimale situatie van alle materie.

Deze situatie is echter een utopie. De utopie lijkt zich te bevinden in de verdeling materie en energie. De verhouding materie en energie is niet 1. Er ontbreekt materie om alle energie gelijkmatig te verdelen. Hierdoor zal altijd een onstabiele situatie blijven bestaan.

 

 16 januari 2009

 

Kees Goossens

 

 

 

     

 

 

 

 

 

 

LEVEN EN STERVEN

 

LEVEN EN STERVEN.

Begrijpen en begrepen worden.

 

STERVEN

Het onbekende brengt spanning en is beangstigend voor ons mensen. Het onbekende maakt ons onzeker omdat we géén invloed hebben op wat er gebeurt en géén controle meer hebben over wat er gebeurt.

Wisten we maar wat er ging gebeuren zodat het onbekende bekend wordt, dan kunnen we berusten in wat er gaat gebeuren. Temeer omdat we daar op voorhand invloed op uit kunnen oefenen.

 

Wat gebeurt er eigenlijk bij het STERVEN?

Er zijn vele ideeën over sterven en vele ideeën hebben geleid tot rituelen, geloofsbelevingen en overtuigingen. Allen om ons bewustzijn en onze geest het sterven te kunnen laten aanvaarden en het verdriet daarover te kunnen dragen en verwerken.

 

De volgende gedachte is hierop géén uitzondering, toch heeft deze gedachte een bijzonder aspect. Deze gedachte draagt in zich dat alle voorgaande ideeën een kern van waarheid in zich dragen en dat géén enkel voorgaand idee wordt verworpen. Elk idee heeft zijn waarheid en wordt daarom in die waarheid gerespecteerd.

 

DE GEDACHTE OVER STERVEN.

Sterven, een zinvol vervolg op het leven.

Alle materie, zowel levende als levenloze, is opgebouwd uit atomen, kleine deeltjes. Deze atomen zijn weer opgebouwd uit nog kleinere bouwelementjes en die elementjes zijn wederom opgebouwd uit nog kleinere deeltjes. Wie weet bestaan deze deeltjes uit nog kleinere onderdeeltjes.

De kleinste deeltjes zijn de bouwsteentjes voor materie.

Deze bouwsteentjes zijn te onderscheiden in twee groepen, bouwsteentjes voor levende en levenloze materie.

Uit de bouwsteentjes voor levende materie is alle leven op aarde opgebouwd.

Deze bouwsteentjes worden door de levende materie gebruikt om te ontwikkelen.

De basis-informatie voor die ontwikkeling wordt door levende materie doorgegeven middels voortplantingsvormen.

Basisinformatie is een start om te kunnen leven, echter niet toereikend om te overleven. Daarvoor is aanpassing noodzakelijk. Deze aanpassing vindt levende materie enerzijds door het ontwikkelen van basisinformatie en anderzijds door het vormen van nieuwe overlevingsmogelijkheden.

 

Informatie-overdracht.

Hoe verloopt informatieoverdracht? Door trilling en energieoverdracht.

Ieder materieel bouwsteentje heeft een grote hoeveelheid aan energie, trillingen en informatie. De bouwsteentjes voor levende materie zijn beschikbaar in de natuur in de vorm van voedingselementen. Deze, voor levende materie, noodzakelijke elementen worden gebruikt om in stand te blijven, te ontwikkelen, te herstellen, aan te passen of om voort te planten. Door opname van die elementjes door levende materie kunnen de bouwsteentjes informatie overdragen en/of samenwerken met bouwsteentjes van die materie.

Door deze informatie-overdracht en samenwerking wordt het verleden gebruikt om voort te leven.

 

Het belang van sterven.

Alle levende materie is gedoemd te sterven. Echter zal alleen de materie als samenstelling worden beëindigd door het sterven. De informatie en energie die in de bouwsteentjes is besloten zullen een bestemming vinden in toekomstige levende materie.

 

De MENS,

De bijzondere menselijke eigenschappen zorgen voor een heel specifieke ontwikkeling van de bouwsteentjes.

Mensen hebben de mogelijkheid om tijdens hun bewuste leven hun mentale bouwsteentjes van specifiek menselijke informatie en energie te voorzien.

Tijdens het leven kunnen mensen deze energie bewust gebruiken in hun persoonlijk en sociaal welzijn.

De grote bijdrage aan de mensheid wordt echter geleverd bij het sterven.

Door tijdens het leven de mentale bouwsteentjes van zo goed mogelijke informatie en energie te voorzien is de bijdrage aan toekomstig leven onvoorstelbaar groot.

De bouwsteentjes die we vrijgeven bij ons sterven is dan van onschatbare waarde voor toekomstige generaties. Onze informatie en energie zal dan in ontelbare levensvormen voortleven en invloed hebben op de ontwikkeling daarvan.

Deze invloed is voor het algehele leven van groter belang dan informatie-overdracht van mens op mens omdat deze informatie-overdracht wordt verankerd in de levende materie.

 

Dit is het grote belang van sterven. Zonder sterven zou die informatie en energie verloren gaan voor toekomstig leven.

Vele tot op heden onbegrijpelijke en onverklaarbare zaken kunnen met deze gedachte over leven en sterven worden verklaard.

Zaken als Paranormale ervaringen, Astrologie, Verschijningen, Reïncarnatie, Geloofsovertuigingen, Groepsgedrag, Cultuurbepaalde zaken en vele anderen kunnen met deze gedachte worden verklaard.

 

Het grote geheel zit “natuurlijk” complexer in elkaar omdat we al miljoenen jaren in evolutie zijn. Toch is deze gedachte het meer dan waard om nader te worden bestudeerd. De eerste winst die deze gedachte kan bieden is het wegnemen van de angst voor het sterven en de overtuiging van het voortleven in de toekomst.

 

27 december 2008,

 

Kees Goossens.

 

 

 

  

 

 

 

 

     

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

   

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

TRILLINGEN, INFORMATIE EN ENERGIE

 

TRILLINGEN EN ENERGIE.

Begrijpen en begrepen worden.

 

 

Trilling:

Trilling is voor te stellen als een golvende kromme.

Trilling is de route van informatie.

Trilling vormt altijd een combinatie met massa, energie en informatie.

 

Energie:

Energie is voor te stellen als een stuwende kracht.

Energie is het transportmedium van informatie.

Energie vormt altijd een combinatie met massa, informatie en trilling.

 

Informatie:

Informatie is voor te stellen als de handleiding om massa te kunnen gebruiken.

Informatie is de via trilling door energie voortgestuwde data om de massa te kunnen activeren.  

Informatie vormt altijd een combinatie met massa, energie en trilling.

 

Massa (enkelvoudige massa ofwel één deeltje uit de massa):

Massa is voor te stellen als een pure grondstof voor materie.

Massa is een elementair deeltje in het ons bekende universum, dus het ons bekende level.

Massa is een deeltje dat in ons level in combinatie met informatie, energie en trilling een toepassing kan vinden.

 

LEVELS / NIVEAU`S:

In het niveau waarin wij ons bevinden zijn vaste natuurlijke wetten en patronen te onderscheiden. Echter op andere niveau`s gelden ook andere natuurlijke wetten en patronen. Dit is voor te stellen door compressie en implosie of decompressie en explosie.  

 

Compressie / implosie:

Verwijder uit een atoom alle ruimte. Dan resteert slechts »0,0000000000001 % van de inhoud van dat atoom. Een stuk materie van bijvoorbeeld 1m³wordt dan eerst gecomprimeerd tot het volume van de pure atoominhoud. Daarna wordt de vrije ruimte uit de atomen weggenomen. Er blijft dan nog slechts een volume over van ongeveer één atoom. Dat volume bezit dan wel de massa van alle die miljarden atomen uit die 1m³ materie.

Stel nu voor dat de quarks en andere elementen waaruit de atoom is opgebouwd eveneens een qua omvang gelijke vrije ruimte bezitten. Dan resulteert dat wederom in een compressiemogelijkheid van de massa van miljarden malen.

In ons voorstellingsvermogen bereiken we reeds in de compressie van de atoom een “zwart gat”. Dit is waarschijnlijk nog maar één leveltje hoger op de compressietrap.

 

Decompressie / Explosie:

Het uitdijen van het universum op ons niveau is een gevolg van decompressie van massa. Atomen zonder vrije ruimte décomprimeren tot atomen met vrije ruimte. Dit is een miljardenvoud qua ruimte t.o.v. de gecomprimeerde situatie. Deze ruimtevergroting veroorzaakt het uitdijen van het level waarin wij ons bevinden.

Deze uitdijing heeft een maximum. Bij doorbreken van dat maximum zal een nieuw level worden bereikt voor een deel van de ruimte uit het vorige level. Dit kan worden bepaald door deling van de totale ruimte in twee of meerdere kleinere ruimtes (als een soort van celdeling) of door een explosieve herverdeling in een grotere ruimte (als het ontploffen van een ballon) of door het uitstoten van overdruk door een opening of zwakke plek (als een soort overdrukventiel).        

Op een nieuw niveau hebben atomen de mogelijkheid zich te ontwikkelen op basis van de op dat level heersende natuurlijke wetten en patronen.

Het spel van zeepbellen en ook het spel van luchtdruk en wind in onze atmosfeer geeft een indicatie van deze processen.

 

Evenwicht:

Alle systemen van de natuur zijn gebaseerd op evenwicht. Echter heeft evenwicht altijd een basis of grondslag nodig. De grondslag bepaald uiteindelijk of het gewicht en evenwicht gedragen kan worden.

De grondslag is het complexe systeem van massa, informatie, energie en trilling. Het gewicht en evenwicht kan worden gevonden in de materie.

 

 

 16 januari 2009

 

Kees Goossens.

 

 

 

 

 

 

 

HET NUT VAN HET MENSELIJK BREIN

 

OVERSCHAKELEN.

Begrijpen en begrepen worden.

 

WAT IS OVERSCHAKELEN

De basis van overschakelen ligt bij schakelen. En aan de basis van schakelen ligt een schakel. Een schakel is de verbinding tussen eenheden, onderdelen en/of componenten. Schakelen is het verbinden van twee of meerdere eenheden, onderdelen of componenten middels een schakel.

Overschakelen is het gebruiken van de schakeling.

Overschakelen vindt plaats middels een overbruggingsvorm. Er zijn legio  overbruggingsvormen te onderscheiden. Zoals abrupt tot geleidelijk, met of zonder overbruggingssysteem, direct of indirect. De schakel- en overschakelsystemen zijn ook legio.

 

HET DOEL VAN OVERSCHAKELEN     

Overschakelen heeft als doel het overbrengen of combineren van informatie. De overdracht van informatie wordt gerealiseerd door energie. De energie wordt getransporteerd door trillingen. Informatie, trillingen en energie zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden als een drie-eenheid. Echter kunnen zij wel veranderen door invloed van andere drie-eenheden.

 

HET NUT VAN OVERSCHAKELEN

Door overschakelen heeft de natuur een mogelijkheid om verandering te laten plaatsvinden. Zonder verandering is er een stabiele situatie zonder beweging, verplaatsing, kracht, leven, materie. Een natuurlijke stabiele situatie bestaat uit “NIETS”.

Het gegeven dat de natuur er is impliceert dat er beweging is. De beweging is een continue aanwezige factor die zit besloten in de trillingen waarmee, middels energie, informatie wordt overgebracht. Beweging veroorzaakt verandering, verandering veroorzaakt een nieuwe samenstelling en situatie. De verandering is een kettingreactie waarbij het totaal aan energie onveranderd blijft. Echter de samenstelling en situatie wijzigt.

 

WAARTOE LEIDT HET OVERSCHAKELEN

Door het systeem van overschakelen heeft de natuur een mogelijkheid om te ontwikkelen naar een beheersbare situatie van het totale stelsel.

Alles in de natuur is gericht op balans, evenwicht, stabiliteit en rust.

Deze natuurlijke doelen zijn te bereiken middels het beheersen van de natuurlijke bewegingen.

 

HET AARDSE LEVEN  

Het aardse leven is een natuurlijke ontwikkeling om het doel, de natuurlijke bewegingen te  beheersen, te bereiken.

De mens als hoogste intelligentievorm op aarde is de natuurlijke poging om dit doel te benaderen of zelfs te bereiken.

De mens maakt vorderingen, echter de kans op succes wordt beperkt door de negatieve effecten van de vorderingen.

In de huidige situatie lijkt de mens niet in staat het doel dicht te benaderen.   

Lukt het toch dan is dat voor de mens een gunstige situatie. Lukt het echter niet dan is de informatie voor de natuur niet verloren. De informatie zit immers besloten in de drie-eenheden van de natuur en kan in andere situaties weer worden toegepast.

 

16 januari 2009,

 

Kees Goossens.

 

 

 

  

 

 

 

 

     

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

HET FUNCTIONEREN VAN HET MENSELIJK BREIN

 

OVERSCHAKELEN IN HET BREIN.

Begrijpen en begrepen worden.

 

WAT IS OVERSCHAKELEN

De basis van overschakelen ligt bij schakelen. En aan de basis van schakelen ligt een schakel. Een schakel is de verbinding tussen eenheden, onderdelen en/of componenten. Schakelen is het verbinden van twee of meerdere eenheden, onderdelen of componenten middels een schakel.

Overschakelen is het gebruiken van de schakeling.

Overschakelen vindt plaats middels een overbruggingsvorm. Er zijn legio  overbruggingsvormen te onderscheiden. Zoals abrupt tot geleidelijk, met of zonder overbruggingssysteem, direct of indirect. De schakel- en overschakelsystemen zijn ook legio.

 

HET DOEL VAN OVERSCHAKELEN     

Overschakelen heeft als doel het overbrengen of combineren van informatie. De overdracht van informatie wordt gerealiseerd door energie. De energie wordt getransporteerd door trillingen. Informatie, trillingen en energie zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden als een drie-eenheid. Echter kunnen zij wel veranderen door invloed van andere drie-eenheden.

 

HET NUT VAN OVERSCHAKELEN IN HET BREIN

Door overschakelen heeft de mens een mogelijkheid om verandering te laten plaatsvinden. De mens kan bewust en al of niet overwogen keuzes maken.

Hierdoor heeft de mens de mogelijkheid om vooruit te denken en invloed uit te oefenen op wat er gaat gebeuren.

 

WAARTOE LEIDT HET OVERSCHAKELEN

Door het systeem van overschakelen heeft de mens een mogelijkheid om zich te ontwikkelen tot een meer controlerend en bepalend element in de natuur.

Hierdoor zijn de overlevingskansen van de mens en de mensheid groter.

 

INDIVIDUELE MOGELIJKHEDEN

Ieder mens als individu beschikt over persoonlijke mogelijkheden om van het systeem van overschakelen gebruik te maken.

Deze mogelijkheden zijn voor iedereen verschillend en worden voornamelijk bepaald door de drie peilers zijnde; Genetische informatie, Vermogen van het brein en de Procesvorm van het brein.  

Deze drie peilers vormen de basis van de individuele mogelijkheden en zijn doorgaans gedurende het leven van een mens redelijk stabiel.

DE PEILERS

De eerste peiler en daarmee ook de voorwaarde scheppende voor de andere twee peilers is de Genetische peiler. Hierin is historische informatie opgeslagen die benodigd is om aan de op elkaar volgende voorwaarden van het bestaan en voortbestaan te kunnen voldoen, zijnde “leven”, “overleven” en “voortleven”.

In deze peiler is de informatie besloten die bepalend is voor het erfelijk  vermogen van het brein. De genetische peiler is onderhevig aan beperkte verandering gedurende de levenscyclus van het individu. De genetische peiler wordt deels doorgegeven als erfelijk materiaal aan volgende generaties.

 

De tweede peiler en daarmee ook de voorwaarde scheppende voor de derde peiler is de peiler van het Vermogen van het brein. Het vermogen van het brein heeft de erfelijke informatie als basis. Gedurende de levenscyclus van het individu is deze peiler normaliter aan geringe verandering onderhevig.

Het vermogen van het brein is vanaf het eerste zelfstandig levensbegin aanwezig. Wel is het toepasbaar maken en verdere ontwikkeling van dit vermogen tot aan de wasdom van het brein nodig om de derde peiler beter te kunnen benutten. Het vermogen van het brein bepaalt de ontwikkelingsmogelijkheden van de derde peiler, de Procesvorm van het brein en begrenst daarmee de ontwikkelingsmogelijkheden van het individu.

 

De derde peiler en daarmee de noodzakelijke peiler om van de drie peilers een stabiel geheel te vormen is de peiler van de Procesvorm van het brein.

Ook de Procesvorm van het brein heeft erfelijke informatie als basis en is gedurende de levenscyclus redelijk stabiel. De procesvorm heeft het vermogen van het brein als ruimte beschikbaar voor ontwikkeling en heeft de erfelijke informatie als basis voor ontwikkeling. De procesvorm bepaald de manier waarop informatie in het brein wordt opgenomen, verwerkt, gecombineerd en toepasbaar wordt gemaakt. In de procesvorm zit tevens de geheugencapaciteit, -vorm en -toepasbaarheid besloten. De Procespeiler is bepalend voor de totale ontwikkeling en mogelijkheden van de mens.

 

DENKPROCES

Menselijke denkprocessen zijn gebaseerd op zintuiglijke waarnemingen.

Zien, horen, voelen, ruiken en proeven zijn de zintuigen waarmee het menselijk lichaam waarnemingen doet. Die waarnemingen worden in het brein verwerkt tot ervaringsinformatie. Deze ervaringsinformatie wordt door het brein opgeslagen in het geheugen. Daarnaast wordt de informatie, indien mogelijk, gecombineerd met andere, reeds aanwezige informatie. De informatie wordt toepasbaar gemaakt voor denkprocessen en voor handelingsprocessen.

 

COMMUNICATIE

Als solitair individu is een mens kansloos in het voortleven in volgende generaties. Voortplanting is in de huidige vorm niet mogelijk.

De mens is in zijn natuurlijke staat afhankelijk van een commune.

De kwaliteit van het menselijk genetisch materiaal is afhankelijk van diversiteit.

Voor de kans op bestaan is de mens afhankelijk van authenticiteit of flexibiliteit.

Voor de communevorming is de mens afhankelijk van emotie en affectie.

 

De kans op succes voor de mens is groter naarmate de groepssamenstelling, de groepsgrootte en het aantal gevormde groepen is afgestemd op de nodige diversiteit, de omstandigheden waarin geleefd wordt en de mate van ontwikkeling van emotionaliteit en affectie.

 

Communevorming geeft aanleiding tot communicatievormen. Hiervoor gebruikt de mens de vijf zintuigen; zien, horen, voelen, ruiken en proeven. Daarbij gebruikt de mens ook de complementaire vormen; expressie, geluid, aanraken, geuren en smaak om onderling te communiceren.

De communicatievormen zijn tot een bepaalde communegrootte toereikend. Om de commune te kunnen vergroten is verdere ontwikkeling van deze vormen nodig.

 

Verdere ontwikkeling van de communicatievormen is voor de mens succesvol gebleken in; emotie, affectie, schrift en spraak.

 

Het ontwikkelen van emotie en affectie zijn authentieke gedragingen die zich vormen naar succesvolle toepassing.

Schrift is een verdere ontwikkeling van tekenen en tekenen is een vorm van expressie.

Spraak is een verdere ontwikkeling van geluid.

Lezen is het zien van schrift en het omzetten van schrift naar spraak. Lezen maakt schrift zinvol. Lezen is het resultaat van de verdere ontwikkeling van expressie.

Bij lezen gebeurt er iets bijzonders in het menselijk brein. Er wordt zonder gebruik te maken van de lichamelijke zintuigen een koppeling gemaakt in het brein met horen. In het menselijk brein hoort de mens zichzelf lezen zonder gebruik te maken van de zintuiglijke lichaamsdelen.

 

VOORSTELLINGSVERMOGEN

Het voorstellingsvermogen van mensen is gebaseerd op de drie peilers Genetisch, Vermogen en Proces.

De ontwikkeling van de mens op gebied van communicatievormen is hierin vormgegeven.

Ieder mens heeft een eigen samenstelling van de drie peilers.

Door de uniciteit van die samenstelling heeft ieder mens een eigen manier waarop het brein functioneert.

Dit functioneren is weliswaar gebaseerd op lichamelijke processen die op ieder mens van toepassing zijn maar door de persoonlijke samenstelling en ontwikkeling van de drie peilers neemt ieder mens informatie anders op, verwerkt die anders en past die anders toe. Ieder mens is anders en zal een volkomen unieke combinatie van alle eigenschappen bezitten.

 

Vermoedelijk en aannemelijk is dat de verdeling in de totale bevolking een grafiek laat zien zoals de Gauss-kromme. Daaruit is af te leiden dat de grootste bevolkingsgroep zich in het gebied bevind rondom het totale gemiddelde. Echter een aanzienlijke groep wijkt zowel naar het ene als het andere uiterste zover af van het gemiddelde dat de aansluiting met dat gemiddelde moeilijk en problematisch wordt.

 

ONDERWIJS MAATSCHAPPIJ KENNIS ECONOMIE

Het reguliere onderwijs is afgestemd op de grote gemene deler. Dit om een zo groot mogelijke groep te bereiken op een zo efficiënt mogelijke manier.

 

Door deze handelwijze raakt een aanzienlijke groep mensen verstoten van het voor hen goede aanbod van onderwijs. Dit heeft een onvoorstelbaar grote frustratie van de maatschappij tot gevolg. Al op jonge leeftijd raken mensen in hun ontwikkeling gefrustreerd waardoor legio mentale, lichamelijke en maatschappelijke complicaties ontstaan.

De schade die hierdoor wordt veroorzaakt is immens. Onderzoek en aanpassing van het systeem zijn zowel op korte termijn als op lange termijn succesvol op zowel menselijk gebied als op gebied van kennis en economie.

 

 

16 januari 2009,

 

Kees Goossens.